Hoe je een jihadstrijder weer in het gareel krijgt

Overal in Europa wordt gepraat over jihadstrijders. En hoe ze te beteugelen. Harde taal van politici kan twijfelaars in de armen van radicalen drijven.

Ga vechten bij ISIS en al-Nusra. Dan bescherm je kwetsbare vrouwen en kinderen tegen Assad. Je zult vechten voor je eer, en sterven als een held – zo’n groots en meeslepend verhaal kan een ronselaar vertellen tegen jongeren die daar vatbaar voor zijn. En dan gaan ze naar Syrië. Kunnen autoriteiten daar een verhaal tegenover zetten?

Misschien wel, opperde een aanwezige onlangs in een werkgroep van samenwerkingsverband Radicalisation Awareness Network (RAN), opgezet vanuit de Europese Commissie. Het idee: laat Syrische vluchtelingen vertellen hoe de harde werkelijkheid eruitziet. Zij weten dat jihadistische groeperingen niet alleen Assad, maar ook elkaar bestrijden.

Gisteravond was minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) voor topoverleg in Milaan met acht Europese collega’s. Het onderwerp: de inmiddels naar schatting tweeduizend Europeanen die op jihad zijn gegaan in Syrië en Irak. De angst bestaat dat enkele terugkerende strijders hier aanslagen willen plegen en nóg meer jongeren zullen inspireren. De ministers spraken onder meer over betere informatie-uitwisseling.

Binnen het RAN wordt er al veel langer overlegd over jihadstrijders. Betrokkenen uit de hele EU – van gemeenteambtenaar tot wijkagent, van inlichtingendienst tot jongerenwerker – komen regelmatig bijeen om in werkgroepen te praten over het voorkomen van radicalisering, radicalisering via internet en sociale media.

Bij de werkgroep over jihadgangers kwam ook het idee op om Syrische vluchtelingen erbij te betrekken. Directeur Peter Knoope van het Internationaal Centrum voor Contraterrorisme (ICCT) in Den Haag is een van de voorzitters van de werkgroep. Meestal zat hij om de tafel met enkele tientallen betrokkenen. Om van elkaar te leren legden zij zo precies en concreet mogelijk aan elkaar uit wat hun land doet. Knoope: „Je kunt wel zeggen: er moet contact gelegd worden tussen de politie en de families in de buurt, maar hoe doe je dat? Wat is bijvoorbeeld je aanleiding om binnen te stappen, is die positief, negatief?”

Eind vorig jaar maakten ze gezamenlijk een document met 21 aanbevelingen hoe om te gaan met jihadgangers. Zoals: het opbouwen van vertrouwen is een langetermijnverplichting die topprioriteit moet blijven. Of: zorg voor een veilig en bekend meldpunt voor (potentiële) jihadgangers en hun familie, waar ze terecht kunnen met hun angsten.

Veel conclusies die getrokken worden in de verschillende RAN-werkgroepen, komen overeen met de aanpak die Nederland nu al heeft, zegt Steven Lenos van RadarAdvies, dat als secretariaat de inhoudelijke en praktische ondersteuning van de RAN-werkgroepen verzorgt. „Een preventieve aanpak, vooral op lokaal niveau. En een combinatie van harde en zachte maatregelen.”

De harde maatregelen: het afpakken van paspoorten, uitkeringen, studiefinanciering en het ‘hinderlijk volgen’. Maar tegelijk overleggen gemeenten en politie intensief over hoe ze geradicaliseerde jongeren weer terug in de maatschappij krijgen via een persoonlijke aanpak, bijvoorbeeld door te helpen bij het zoeken naar werk. Lenos: „Nu zie je dat ook andere lidstaten meer aandacht krijgen voor een lokale aanpak, zoals Spanje.”

Maar Nederland loopt niet in pas met alle aanbevelingen die in het RAN gedaan worden. Zo zeggen diverse betrokken ambtenaren dat zij amper informatie van inlichtingendienst AIVD krijgen over ‘hun’ jihadgangers. Dat moet anders, vindt Knoope. Inlichtingendiensten moeten transparanter worden, zegt hij. Zoals in Denemarken. Daar wordt inlichtingeninformatie niet alleen met (lokale) overheden en de politie gedeeld, maar ook met jihadgangers en hun omgeving, zegt Knoope.

Familieleden en vrienden van geradicaliseerde jongeren weten vaak goed wie ronselaars voor de jihad zijn, en hoe de radicale netwerken in elkaar zitten. „Ze zijn alleen te bezorgd om het te delen omdat ze niet weten wat de consequenties zijn”, zegt Knoope. „Je kunt vertrouwen krijgen door ze te vertellen welke informatie je over ze hebt. En door uit te leggen waarom je sommige informatie niet kunt delen. Als je transparant en eerlijker bent, zul je zien dat mensen meer vertellen.”

Ook realiseren bewindslieden en politici zich onvoldoende dat hun harde taal over de aanpak van jihadgangers averechts kan werken. „Het is heel belangrijk om onderscheid te maken tussen de rekruteurs die mensen bewust over de streep trekken en de mensen die vallen voor hun verhaal of de druk van vrienden”, zegt Knoope. Die tweede groep kan nog tot inkeer gebracht worden. Maar door bijvoorbeeld te dreigen met het afpakken van paspoorten, „lopen we risico dat we die twee groepen in elkaars armen drijven”, zegt Knoope. „Dan is er ook voor die twijfelende groep geen weg meer terug. Ze krijgen het gevoel dat ze geen keuze hebben, anders dan aansluiting bij gewapende groepen in het Midden-Oosten.”