Het eerste en het laatste treinkaartje

Vanaf morgen is het papieren treinkaartje verleden tijd. Het fysieke bewijs van een reis, de herinnering voor altijd, wordt vervangen door de OV-chipkaart. Verzamelaars zijn nog altijd op zoek naar het eerste treinkaartje.

[Replica van het eerste kaartje uit 1839] Privéverzameling Willem Boorsma / Het Spoorwegmuseum

Zijn stand kleurt blauw-geel, de bekende NS-kleuren. Op tafel liggen houten fotolijsten met daarin tientallen treinkaartjes. Gele kaartjes, bruine kaartjes, groene kaartjes.

Willem Boorsma (54) vindt ze prachtig: „De kleuren, de motieven, de verschillende soorten.” 100.000 treinkaartjes heeft hij inmiddels verzameld. Uit de hele wereld. En hij is nog steeds op zoek.

Zeker vijf keer per jaar exposeert Boorsma delen van zijn verzameling in het land. Deze zondag op het Historisch Weekend in Den Helder. Buiten in de zon treedt multiblaaskapel De Knorhanen op. Binnen in een schemerige hal staat Boorsma met zijn in de prijzen gevallen expositie: de opkomst en ondergang van het Nederlandse treinkaartje.

Die ondergang wordt morgen werkelijkheid. Dan wordt het papieren treinkaartje definitief ingeruild voor de OV-chipkaart. Alleen op de Heuvellandlijn van Veolia (van Maastricht naar Kerkrade) blijft het mogelijk een papieren treinkaartje te kopen.

De OV-chipkaart moet het makkelijker maken voor reizigers om met één pas te reizen in trein, bus, tram en metro bij alle OV-bedrijven in Nederland. Een wegwerpchipkaartje voor één dag kopen kan na morgen nog wel, maar dat kost een euro extra.

Het verdwijnen van het papieren treinkaartje doet Boorsma verdriet. „Kinderen weten straks niet meer wat een treinkaartje is. Moet je je voorstellen dat je als kind je eerste treinkaartje niet meer kunt bewaren en inplakken. Dat is een enorm gemis.”

Verzameltechnisch vindt hij „niet veel” aan de OV-chipkaart. „Er is te weinig verscheidenheid. Zo’n kaart is vijf jaar geldig.” Hij kijkt naar zijn kartonnen kaartjes. „Eigenlijk geldt: hoe ouder het kaartje, hoe mooier.”

In een originele houten treinkaartjeskast, precies zoals die twee eeuwen geleden in het loket stond, bewaart hij de zogeheten Edmondsonkaartjes van kleurig karton. Ze waren in gebruik tussen 1857 en 1982. Verderop ligt een treinkaartje op kettingpapier dat op 25 maart 1992 voor het laatst uit de kaartjescomputer TA1069 van het Friese Buitenpost rolde.

Haren rechtovereind

„Ik ben gaan ruilen en ben groot geworden”, zegt Boorsma droog. Thuis in Franeker heeft hij 300 ringbanden vol met treinkaartjes „en nog wat ladekastjes”. „Als kind bewaarde ik mijn treinkaartjes al, maar toen in 1982 het karton eruit ging, besefte ik pas hoe mooi die kaartjes waren. Toen ben ik begonnen met verzamelen.” De treinreizen maakt hij lang niet allemaal zelf. Lachend: „Ik heb meer kaartjes dan je in een mensenleven kunt reizen.”

Boorsma gaat twee keer per jaar naar internationale treinkaartjesruilbeurzen, maar krijgt ook kaartjes van mensen die hij tegenkomt op verzamelbeurzen. Zoals vandaag in Den Helder een fraai kaartje uit 1969. Ook krijgt hij kaartjes toegestuurd van onbekenden die terechtkomen op zijn site passievoorkaartjes.nl. Zo kreeg hij eens een kaartje uit 1931 van het zogenaamde Dokkumer Lokaaltje van Hallum naar Marrum. Trots: „Daar ging mijn haar recht overeind van staan. Er zijn bijna geen kaartjes meer van deze lijn. Daar krijg ik echt de kriebels van. Ik heb de helft van een kaartje, de andere helft is helaas verloren gegaan.”

Hij werpt een blik op zijn stand. Vandaag gaat hij zeker nog met de trein het land door. „Ik weet nog niet waar naar toe, maar natuurlijk laat ik deze laatste kans om met papier te reizen niet aan me voorbij gaan. En ik laat het kaartje zoveel mogelijk stempelen.”

Heilige graal

Het bemachtigen van het laatste papieren treinkaartje is niet zo moeilijk. Nee, dan het vinden van het oudste kaartje uit 1839. In dat jaar reed de eerste trein vanaf station d’Eenhonderd Roe in Amsterdam naar Haarlem.

Het Spoorwegmuseum is al zo lang het bestaat, sinds 1927, op zoek naar „de heilige graal”. „25.000 euro heb ik over voor een kaartje uit 1839”, zegt conservator Jos Zijlstra. „Ik zoek naar een klein stukje papier, niet groter dan een vloeipapiertje.”

Groot is de kans op vinden niet. Voor die eerste spoorlijn werden precies 77.763 treinkaartjes verkocht. Maar geen van de kaartjes is bewaard gebleven. Althans, daar gaat het museum vanuit. De gekochte kaartjes moesten namelijk bij het uitstapstation weer worden ingeleverd waar ze geteld werden en daarna vernietigd.

Het museum wordt regelmatig benaderd door mensen die denken dat ze het oudste treinkaartje bezitten. „Helaas blijkt het altijd te gaan om replica’s die zijn uitgegeven bij het 100-jarig bestaan van de spoorwegen in 1939”, vertelt Zijlstra. Het Spoorwegmuseum nam de telefoontjes al minder serieus, totdat twee jaar geleden een amateurboekbinder uit Haarlem belde. Bij het herstellen van de rug van een boek uit 1840 had hij een strook treinkaartjes aangetroffen voor het traject Amsterdam - Haarlem. De heilige graal is het niet, maar blij was Zijlstra wel: „Ik heb toen een rondje hardgelopen door het museum uit pure vreugde.”

„Dood- en doodjammer” vindt Zijlstra het dat het papieren kaartje gaat verdwijnen. „Als conservator houd je van oude dingen. Een kaartje is de tastbare herinnering aan de reis die je hebt gemaakt. Ook typografisch gezien zijn ze mooi.” Zijn persoonlijke favoriet is het kartonnen Edmondsonkaartje. „Dat is toch een vorm van toegepaste kunst”, zegt hij enthousiast, terwijl hij bladert in een modellenboek met kaartjes uit 1910. „Je moet mee met je tijd, dat weet ik wel. Maar je mag er wel een traan om laten.”

Ook voor oud-conducteur Jan Kuipers (83) is het „kartonnetje” het enige echte kaartje. Bijna veertig jaar lang was Kuipers conducteur op de trein. Nog steeds vertelt hij erover; elke zaterdagmorgen in het Modelspoormuseum in Sneek.

Kuipers vindt het „vreselijk” dat het papieren treinkaartje verdwijnt. „Je kunt straks niet meer zien waar de mensen naar toe moeten. Vroeger adviseerde ik altijd waar mensen konden overstappen, hoe laat en op welk perron. Dat was het mooiste van mijn vak.”

Kuipers werkte het grootste deel van zijn loopbaan met kartonnetjes. „Kaartjes knippen was prachtig. Er waren zoveel verschillende kaartsoorten. Avondkaarten, dagtochten, kriskraskaarten, perronkaartjes.” Lachend: „Voor 25 cent mocht je het perron op. Geweldig.” In die tijd, begin jaren tachtig, kon Kuipers ook zelf kaartjes verkopen via een „buikorgeltje” dat met een riem om zijn schouder hing. „Even draaien en dan kwam er een kaartje uit, een soort kassabon.”

Verliefd

Al ruim tien jaar geleden begon de NS met de invoering van de ov-chipkaart. De vervoerders hebben daar zelf ook belang bij. Ze krijgen meer zicht op het reis- en betaalgedrag van hun passagiers. Bovendien is het voor hen nu makkelijker om de inkomsten te verdelen.

Voor Vincent Wever (33), frequent treinreiziger („bijna dagelijks”) en redacteur van vakblad OV-Magazine, blijft het papieren kaartje favoriet. Het mooiste aan het treinkaartje? „De herinneringen die terugkomen als je na een half jaar je portemonnee uitruimt en een stapel kaartjes terugvindt. Bijvoorbeeld van een oud tripje naar Maastricht. Prachtig. Ik ga straks niet verliefd kijken naar mijn transactieoverzicht om te zien waar ik de afgelopen maanden ook alweer geweest ben.”