Column

Eén keer in je leven

Door de overweldigende aandacht voor het WK-voetbal raakte dit jaar Wimbledon op het tweede plan, ook bij mij, toch een groot tennisliefhebber. Ik zette pas in de tweede speelweek argeloos ‘even’ de BBC aan om te kijken of er die dag nog iets bijzonders op Wimbledon was gebeurd.

Wimbledon reageerde zonder wrok op mijn desertie, want ik mocht meteen getuige zijn van de mogelijke opmars van een nieuwe kampioen: Nick Kyrgios, een 19-jarige Australiër, die zonder enige schroom Rafael Nadal een pak slaag stond te geven.

Kyrgios deed me qua gestalte sterk denken aan Richard Krajicek: lang (1,93, drie centimeter korter dan Krajicek), maar niet overdreven gespierd; Krajicek oogde wel een stuk zwaarder. Voor beiden was/is de service een machtig wapen. Wat ze ook gemeen bleken te hebben, is een multi-etnische achtergrond: Kyrgios is de zoon van een Grieks-Australische vader en een half-Maleisische moeder, Krajicek is de Nederlandse zoon van Tsjechische ouders.

Of Kyrgios net als Krajicek ooit Wimbledon zal winnen, is nog de vraag, maar een groot talent is hij zeker en bovendien bleek hij begiftigd met veel bravoure – dit juist in tegenstelling tot de introverte Krajicek.

Het toptennis kan nieuw bloed goed gebruiken, al ben ik zelf nog niet uitgekeken op de grote kampioenen die nu al ruim tien jaar aan de macht zijn: Federer, Nadal en Djokovic. Al hun onderlinge ontmoetingen blijven de moeite waard, zoals ook zondag, toen Djokovic vier uur nodig had om de ‘oude’ Federer (32) van zich af te schudden. Djokovic was de completere speler, maar hij voelde tot het einde de dreiging van Federer.

Waarom blijft Federer maar doorgaan terwijl de kans steeds kleiner wordt dat hij nog eens een Grand Slam-titel wint? Het was een vraag die ook opkwam bij de BBC-commentatoren, onder wie dit jaar de Amerikaan Jimmy Connors, zelf winnaar van acht Grand Slam-titels (5× US Open, 2× Wimbledon, 1× Australië). Connors is nu 61 jaar en ziet er nog altijd fit uit, fitter dan de vadsig geworden, 15 jaar jongere Boris Becker.

Als ik Connors zie, moet ik altijd terugdenken aan een van de meest bijzondere finales waarvan ik als Wimbledon-bezoeker getuige was: die van 1975, toen hij als favoriet verloor van zijn landgenoot Arthur Ashe. Ashe verraste hem op de manier waarop het Nederlands voetbalelftal onlangs Spanje verraste: met vertragend, verdedigend spel; Connors verloor de eerste twee sets met 6-1 en kwam er die dag niet meer bovenop. Als tennisser zou hij nog lang doorgaan: als 39-jarige (!) bereikte hij nog de halve finale van de US Open in 1991.

Connors kon bij de BBC dan ook goed uitleggen waarom je als begaafd sportman zo lang mogelijk moet doorgaan. „Je beseft dat je dit allemaal maar één keer in je leven kunt meemaken”, zei hij nostalgisch, terwijl hij naar Federer zat te kijken. „Dit komt nooit meer terug, wat je verder ook doet in je leven, of je nou zakenman wordt of iets anders, je zult zoiets nooit meer beleven.”

Ik herinner me dat Jan Mulder iets dergelijks heeft gezegd over zijn sportcarrière. Je kon een gevierd trainer worden, of sportcolumnist, maar het zou surrogaat blijven vergeleken bij het leven als topsporter.

Daarom zie ik Federer nog wel een poosje doorgaan, al zat zijn vrouw Mirka op de tribune wel erg verleidelijk te pronken met hun eerste tweeling; ja, ze hebben er nu twee, wat ook wel past bij zo’n trefzekere speler.