De nieuwe Typhoon is een meesterwerk

Glenn ‘Typhoon’ de Randamie rapte over racisme in de Ridderzaal en reisde langs New Orleans, Suriname en Terschelling om zich op te laden. Zijnnieuwe album is een mijlpaal. „Door Sonny Rollins dans ik met mijn woorden.”

Foto Krijn van Noordwijk

‘Zo mooi als het woud is, zo gevaarlijk de vluchtroute, maar alles beter dan naar de baas terug te moeten’

Typhoon – We Zijn Er

Het tweede album van Typhoon heet Lobi da Basi – Sranantongo voor ‘Liefde is de Baas’. Het is een meesterwerk, een muzikale reis van calypso naar blues naar rap. Warm, kleurrijk en openhartig, en met raps die qua zeggingskracht doen denken aan de soms pijnlijk eerlijke inkijkjes in de ziel van collega’s als Extince en Fresku. Over hasj in de prullenbak gooien en die er weer uithalen. Over elkaar niet meer aanraken in bed. „Alsof je in quarantaine bent gelegd.”

Fans en journalisten vragen hem vaak waarom het zo lang duurde voordat dit album er was – het is inmiddels zeven jaar geleden dat Typhoon met zijn debuut Tussen Licht en Lucht een van de beste albums in de geschiedenis van de Nederlandse rap uitbracht. „Maar”, zegt Glenn ‘Typhoon’ de Randamie (29) tijdens een interview in de loungeruimte van De Balie in Amsterdam, „ik ben eerst Glenn. Ik ontwikkel me als mens en dan wordt dat muziek.”

De afgelopen jaren is de rapper bijna voortdurend op reis geweest. Mijmerend in de schommelstoel van zijn overleden grootmoeder in haar huis in Paramaribo, „omgeven door land dat ook van mij is”. Op bezoek bij een slavenplantage in Suriname en het New Orleans Jazz & Heritage Festival „op de plek waar alles begon”. Met de auto naar Tsjechië „om drie dagen met een boek in een weiland te zitten”. En vele uitstapjes naar de rust van Terschelling.

Er kwam niets meer

Hij had het nodig, vertelt Typhoon. Hij was vanaf zijn 22ste betrokken bij de meest succesvolle nationale hiphoptours. Maar de jongste zoon uit de muzikale familie De Randamie uit ’t Harde raakte de grip kwijt op zijn leven als artiest. „Ik begon in 2010 samen met mijn producers A.R.T. en Dries Bijlsma aan dit tweede album. Het eerste nummer ‘IJswater’ stond er zo op. Maar daarna kwam niets meer. Ik merkte ineens hoe moe ik was. Opgebrand. Ik was zes jaar lang bijna onafgebroken op tour geweest. Ik kreeg paniekaanvallen en mijn zusje moest me naar de eerste hulp brengen.”

Het was „geen heel fijne periode”, zegt Typhoon. „Ik keek steeds uit naar mijn volgende momentje met Desperado-bier en een jonko (joint), ging alleen nog naar buiten om op te treden of eten te halen. Ik reed jankend naar shows om daar vervolgens los te gaan. Ik voelde me een versie van mezelf die dingen deed die een artiest ‘hoort’ te doen. Mijn relatie was uit en ik zat gevangen in het comfort van succes. Ik was begonnen als onzeker mannetje, maar had zoveel bevestiging gekregen. Ik moest dat afschudden en zoeken naar wie ik zelf was.”

Typhoon zocht nieuwe energie, zegde in een impuls zijn huur op en ging zwerven, reizen. Hij verdiepte zich in het activisme van burgerrechtenvereniging Vrijbit en de Occupy-beweging; in Den Haag brak hij door een politiebarrière heen om het Malieveld te bereiken. Het voelde „even als vrijheid maar daarna klopt de realiteit aan. Waar haal je benzinegeld vandaan? Je eten? Toch voelde het alsof ik niets anders kon.”

Zijn plaat is de afgelopen vier jaar, tussen het reizen en zwerven door, „in schetsen ontstaan”, vertelt Typhoon. Zijn nieuwe werk is een zinderende mix van invloeden, van de Nederlandse dichter J.C. Bloem tot de Surinaamse antikoloniale schrijver en activist Anton de Kom. „Ik ben een mengelmoes. Een gumbo, zoals ze in New Orleans zeggen, afkomstig van blanken, Chinezen, Afrikanen en indianen; van hiphop uit de jaren negentig, blues, jazz en calypso. Ik ben veel opener naar mijn muziek gaan kijken.”

Lobi da Basi begint met natuurgeluiden en Typhoons gospelbezwering: ‘Hoooo God, geef mij kracht’. De melodielijn doet hij aan het begin van de plaat zachtjes met zijn mond. „Ik denk in blazerslijnen, dat komt van vroeger. Mijn pa speelt saxofoon en ik ben opgegroeid met zijn toonladders. Die lijn gaat naar mijn held Sonny Rollins, naar mijn vriend Benjamin Herman enzovoort. Door naar saxsolo’s van Sonny Rollins te luisteren, ben ik heel anders naar de flow van rap gaan luisteren. Ik dans veel meer met woorden en gebruik live ook blazers als backing in plaats van vocalen. Het zijn vocalisten voor mij. Verhalenvertellers.”

Spiegel voor koning en kabinet

Een hoogtepunt op het album is ‘Van De Regen Naar De Zon’, dat Typhoon vorig jaar live rapte voor het koningspaar en het kabinet in de Ridderzaal in Den Haag. Rappers voeren op officiële momenten vaak een cynisch kunstje op – met het Koningslied als dieptepunt. Maar in het hart van de democratie focuste Typhoon met rustig vertolkte zinnen op zwarte bladzijdes uit de nationale geschiedenis en de wijze waarop naar zijn mening de macht van het volk wordt ingeperkt.

Het was een „krankzinnige setting”, zegt Typhoon terugblikkend. Terwijl hij zich zorgen maakte of hij genoeg benzinegeld had om naar huis te rijden, hield hij koning en kabinet tussen alle pracht een spiegel voor over kolonialisme, slavernij, racisme en machtsverhoudingen.

„Ik ben twee weken bezig geweest met die tekst”, zegt Typhoon. „Ik heb heel de tijdslijn van Nederland doorgespit. Wie zijn we, waar ligt onze kracht en onze pijn? Ik heb het expres genuanceerd geformuleerd, omdat mensen in Nederland niet tegen de angry black man kunnen; dan gaan alle deuren dicht. En ik wil ook bruggen bouwen, dat is wie ik ben. Maar tegelijkertijd ben ik echt pissig over de hypocrisie van mensen die zeggen: nooit meer slavernij, nooit meer oorlog. Het is aan de orde van de dag! Wanneer ik dan een podium krijg, wil ik het benutten ook.”