Zelfbevrediging is niet voor in de krant

Weinig bescheidenheid, veel ego: dát is de Nederlandse journalistiek. Het woord ‘ik’ moet worden verboden, zegt schrijver en journalist Corine Koole tegen Corine Koole.

illustratie enkeling

Wat heb je vandaag gedaan?

„Eigenlijk nog niet veel. Het is negen uur, dinsdagochtend, de zon laat het afweten, maar het geluid dat mijn vingers maken op het toetsenbord is

mij vertrouwd als altijd. Het liefst zou ik de hele dag maar wat voor me uit tikken, ik houd van het doffe geplok, soepel en ritmisch, op een of andere manier stelt het me gerust. Het is als de branding, een eeuwig voortdurend geruis.”

Is dat de reden waarom je schrijft? Het geruststellende geluid van je vingers op het toetsenbord?

„Dat zou best kunnen. Ik heb me dat nooit eerder afgevraagd. Wat is de reden waarom je interviewt, waarom je schrijft? Ik zou kunnen antwoorden dat ik schrijf om orde aan te brengen in de chaos in mijn hoofd, ik zou kunnen zeggen dat ik interview omdat ik nieuwsgierig ben naar wat mensen drijft. Dat is allemaal waar. De laatste jaren schrijf ik veel over liefde, een van de prachtigste onderwerpen die er bestaan. Omdat liefde is waar iedereen naar op zoek is. Iedereen wil liefde, maar wie heeft het? Wie heeft die alles verslindende, opofferende liefde, en is het eigenlijk wel zo heilzaam je uit te leveren aan de klauwen van De Grote Liefde, met huid en haar? Dat interesseert me mateloos. Het massale streven naar iets dat per definitie alleen bij vlagen haalbaar is. Een dichter zei eens tegen me: never give all the heart, en hij citeerde daarmee Yeats. En ik denk dat hij gelijk heeft, en toch moet niets fijner zijn dan die ultieme romantische versmelting. Samen met mij dromen daar vele, vele mensen van. Ze wonen in doorzonwoningen en hebben wc’s met spirituele teksten in houten lijstjes en hebben de meest geweldige verhalen en fantasieën over de liefde. Ik spreek hen wekelijks.”

Wordt een goede journalist gedreven door nieuwsgierigheid?

„Natuurlijk. Dat lijkt een open deur, maar het verwondert me elke keer weer hoeveel journalisten denken zonder te kunnen. Te veel interviewers zoeken een bevestiging van hun vooroordelen. Te weinig zijn bereid zich te laten verbazen. En dat terwijl verbazing een van de mooiste en zinvolste sensaties is. Niet alleen voor journalisten en schrijvers. Een van de mooiste momenten van interviewen vind ik trouwens het componeren achteraf. Een blanco vel langzaam van kleur te zien verschieten. Dat je dan na een paar uur iets hebt waarvoor een krant of tijdschrift bereid is een paar honderd euro te betalen. Dat is toch magie? De gladde toetsen die eigenlijk toetsjes zijn, de enigszins versleren e en n, twee letters die daardoor nog zijdeachtiger zijn dan bijvoorbeeld de z en de x: Ik heb ze lief. Ik denk, nu ik erbij stilsta, dat ik meer houd van het ambacht, het schrijven en interviewen zelf, dan van de kick van de publicatie. Het moment dat een verhaal of interview verschijnt valt altijd tegen. Ik lees iets terug in een ander lettertype dan ikzelf gebruikte, en alle spanning verdwijnt. De vreugde die ik voel over een nieuw boek van mij dat van de drukker komt, het eerste exemplaar voelen, doorbladeren, duurt jammer genoeg nooit langer dan een halve dag. Als het gedrukt is, is het niet langer van mij, en kan ik er niks meer aan veranderen. Dan is het dus weer niet gelukt iets te maken waarmee ik de wereld kan dienen.’

De wereld dienen, ambieer je dat echt? Beetje aandoenlijk.

„Ja, vind je? Misschien wel. Naïef en misschien zelfs wel kinderachtig. Aan de andere kant, als ik die ambitie niet zou hebben en me louter tevreden zou stellen met mijn qwerty-geluiden, ja, wat dan? Zeker is dat ik geen zieke mensen beter maak – ik ben al mijn leven lang jaloers op artsen – dat ik het klimaatprobleem niet oplos en het grootste deel van mijn tijd vul met het schrijven van interviews over de liefde, een zoals gezegd, even groots en onuitputtelijk als onveranderlijk en statisch thema. Je zou dus met recht kunnen beweren dat ik me schuldig maak aan dezelfde verfoeilijke egobewieroking als veel van mijn collega’s. Een schrijfster en journalist die schrijft omdat ze houdt van het geluid van haar vingers op haar MacBook, omdat ze het lekker vindt zich terug te trekken en zich nog eens om te draaien in haar eigen woorden is in het beste geval een laffe kunstenaar, maar vaak niet meer dan iemand die zichzelf bevredigt.”

Niet dat er iets tegen zelfbevrediging is…

„Nee, maar niet in de krant. Veel journalisten en in het bijzonder de schrijvers van zogenaamde persoonlijke verhalen en interviews lijken zichzelf belangrijker te vinden dan hun onderwerp.”

Wie?

„Wie, wie… wie niet? Ik ga geen namen noemen. Dat is flauw.”

Het is pas flauw om geen namen te noemen.

„Als ik namen noem hoor jij weer alleen een naam. Dan gaat het weer niet om het verschijnsel zelf. Ik vind: de Nederlandse journalistiek maakt zich niet zelden schuldig aan zelfbevlekking. Het klinkt jou ongetwijfeld nogal belegen in de oren, maar nog niet zo heel lang geleden ging het in de krant over gebeurtenissen. Als ik nu de zaterdagkrant opensla, zie ik alleen maar foto’s van mensen. Portretten van geïnterviewden, columnisten en van opiniërende journalisten. Het lijkt niet te gaan om wat er gezegd wordt, maar wie het zegt. Ik struikel over de particuliere meningen en dat struikelen moet je vrij letterlijk nemen. Ze benemen me het zicht op bredere visies. Op tv is het nog erger. Daar zijn de gastheren en gastvrouwen belangrijker geworden dan hun gasten. Wie wordt de opvolger van Pauw en Witteman, in plaats van: wat moet er in zo’n nieuwe talkshow aan de orde komen en wie kun je dan daar het beste voor vragen.”

Maar zo is het toch altijd geweest?

„Dat denk ik niet. In de jaren tachtig van de vorige eeuw, was bij NRC Handelsblad en Vrij Nederland en waarschijnlijk bij veel meer kranten, het woord ‘ik’ een verboden woord voor journalisten. Ik zou een groot voorstander zijn van een nieuw verbod op dat woord ‘ik’. Ja, ook in alle columns. Dan kunnen we weer lezen over onderwerpen, over thema’s, niet over het privégeneuzel. Dan kan het weer ergens over gáán.”

Maar mensen willen onthullingen en bekentenissen lezen. Ze vinden een alcoholische schrijfster interessant omdat ze zoveel drinkt, niet om wat ze schrijft. Ze willen van een politicus weten hoe hij zijn depressie overwon, niet hoe hij het land wil besturen.

„En ik denk dat je je lezers onderschat. Mensen willen stof tot nadenken. Om vervolgens zelf hun mening te vormen. De journalistiek zou zich moeten onttrekken aan de drekkige Facebook- en Twitterbehoefte het particuliere tot het openbare te verheffen waarmee het particuliere een belang krijgt dat het niet heeft. Ik ben een groot voorstander van de terugkeer van een bescheidenheid in de journalistiek en in het bijzonder in interviews en persoonlijke verhalen.”

En daarvan is dit interview zeker een voorbeeld.

„Ha, nee, je hebt gelijk. Dit interview is het voorbeeld van hoe het niet moet, de zelfbevlekking ten top. Toch staat in deze laatste zin niet een keer ‘ik’. Een klein nieuw begin.”