Beest

Tim Krul liep naar het doel. Of nee, hij liep juist niet naar het doel. Zolang hij kon en durfde, zwermde de ingevallen keeper als een horzel rond de penaltynemer. Aan zijn gezicht was af te lezen dat Krul onaangename, blufferige woorden uitstootte.

De eerste penalty had hij niet te pakken. Krul gaf zijn hok – die onberispelijke rechthoek waarin hij zijn geld verdient – een karatetrap. De paal trilde.

Bij de volgende penalty begon Krul zich weer te bemoeien met de speler. Het wachten was op geel van de scheidsrechter. Ik geneerde me voor de grens die Krul opzocht en tegelijkertijd hoopte ik dat hij die jongen uit Costa Rica zó vernederde dat hij op weg naar de bal ging huilen van onzekerheid.

Tim Krul leek me zo’n jongen die je onmiddellijk aanspreekt als je hem in het openbaar vervoer iets te lang aankijkt: „Moet je wat?” Snel wend je je blik af. Zonder dat je durft te kijken, komt Krul naast je zitten. Hij haalt zijn neus op en fluistert: „Als er wat is, hoor ik het graag.”

Drie haltes te vroeg stap je uit.

Bij de volgende penalty ging Krul als een brulaap aan de lat hangen. Het woord fatsoen zat niet in zijn hoofd. Winnen, dat was het enige wat telde. Dit was topsport: Krul was atleet en intrigant tegelijk.

De laatste penalty ranselde Krul uit de hoek. Hij werd het middelpunt van een orgie. Ik stond te schreeuwen voor de televisie. Ik was voor Krul, ja. Zoals je in een film voor de bad guy kiest. Die is vaak sympathieker dan je denkt.

Het nare beest in Krul was vertrokken. Liefdevol pakte hij zijn collega Jasper Cillessen stevig beet. De twee keepers lieten elkaar niet meer los. Ze hadden samen gewonnen.

Hun omstrengeling maakte een heel land gelukkig.

Ik pakte de auto en toeterde mezelf door drukke straten waar geen regels meer leken te gelden.