Column

Afscheid van een verzetsheld

Renko Verheij (27) is de kleinzoon van Harry Verheij, de trambestuurder die door de Februaristaking een verzetsheld werd. Vorige week overleed zijn grootvader op 97-jarige leeftijd en zaterdag vertelde Renko bij de herdenkingsbijeenkomst in Amsterdam hoe hij, toen hij als kind in de sobere, wat grauwe flat van zijn opa en oma ging logeren, geen idee had „met wat voor mensen ik eigenlijk te maken had”. Zijn grootvader begroette hem altijd met dezelfde raadselachtige woorden: „Dag Jozef.”

Na afloop stapte een man op hem af om te vertellen dat ‘Jozef’ een naam was die je in het verzet gebruikte als je iemands codenaam niet wist. Zijn grootvader had hem dat nooit verteld, vertelde Renko gisteren aan de telefoon, toen we nog even doorpraatten. Die hielp op zijn drieëntwintigste het enige grote protest tegen de Jodenvervolging in Nederland organiseren, maar Renko had bijna alles over de tramstaking van anderen gehoord.

Zijn lichaam had Harry Verheij aan de medische wetenschap nagelaten: het lag tijdens de herdenking in het Amsterdams Medisch Centrum, dat hij zelf hielp oprichten als wethouder van de hoofdstad namens de Communistische Partij van Nederland (CPN). Net als het Slotervaartziekenhuis en talloze sportvelden in Amsterdam. Tussendoor sloot hij het huwelijk van Johan Cruijff. En op zijn verjaardag belde Prins Bernhard, vertelde zijn nog altijd verbijsterde zoon Paul. Hier sprak iedereen over voor een ander dan jezelf leven. Ruim voordat dat woord werd verkracht door overbetaalde consultants was Harry Verheij de geboren ‘verbinder’. Misschien was dat ook een reden waarom, naast Bertolt Brechts ‘Solidaritätslied’, het ‘O Fortuna’ van de omstreden Carl Orff te horen was. Achter me wreven grote mannen met handen als kolenschoppen in hun ogen, terwijl naast me iemand stond te godveren dat het een schande was: „Orff! Een nazicomponist! Niet te geloven!”

Het hebben van deze grootvader voelde nooit als verplichtend, zei Renko Verheij. Maar hij probeerde wel voor anderen te leven, dat beschouwde hij als „een verplichting aan mezelf”. Morgen vliegt hij terug naar Beiroet, waar hij woont, en werkt voor de door vredesbeweging PAX en de Amerikaanse regering gesubsidieerde ngo Etana. Diplomatiek zei hij dat ze ervoor willen zorgen „dat de uitkomst van het conflict in Syrië zo goed mogelijk is”.

Hij sprak veel over Syrië met zijn grootvader, die tot het einde „verschrikkelijk up-to-date” bleef. De laatste keer was in januari, vóór deze baan: „Een keuze voor de oppositie in Syrië, terwijl ik neutraal wilde blijven.” Hij dacht in januari nog dat het misschien béter was als het regime zou winnen, „om het land daarna van binnenuit te hervormen”. Daarover hadden ze het toen nog. Hij had zijn grootvader nu graag willen vertellen dat hij in de propaganda van het regime was getuind. En dat zich tussen de kalifaat-strijders en Assad nog een gematigde oppositie bevindt, met een boodschap die „moeilijk is uit te leggen”.

Hoe zijn grootvader, ondanks zijn eigen principes, in staat was nooit iemand te veroordelen om diens andere opvatting, zei de trotse kleinzoon: „Daarvan heb ik altijd versteld gestaan.”