Juichen voor rappers én voor professoren

De spin-off van het tv-programma is een veelzijdig dagje uit met als bonus de verdieping van grote wetenschappers die hun vertelkunsten naar het festivalpubliek brengen.

Links: de jonge Nederlandse sensatie The Silverfaces. Rechts: regen teistert het festivalpubliek. Foto’s Andreas Terlaak

‘Jullie moeten me er een beetje doorheen helpen want dit is mijn eerste festivaloptreden”, zei professor Erik Scherder quasi-nerveus tijdens zijn uur lange college over de werking van het menselijk brein. Als spin-off van de tv-show van Matthijs van Nieuwkerk is De Wereld Draait Buiten een festival dat niet alleen om popmuziek draait, maar ook de vaste gasten van het programma een plek geeft.

De tweede editie begon met een college van de in Princeton werkzame professor Robbert Dijkgraaf, die in de volle Gashouder als een popster werd ontvangen met een ovatie en een aandachtig gehoor. Elders hield Joost Zwagerman een uitgebreid betoog over Amerikaanse kunst, met woeste armgebaren en loopjes over het podium – als was hij de frontman van een rockband.

De link met De Wereld Draait Door maakte dat het eendaagse festival een gemêleerd publiek trok, deels dagjesmensen die met Matthijs (in korte broek) op de foto wilden en ook jonge hippe Lowlandsgangers. De bont getatoeëerde kappers van het Rotterdamse collectief Schorem praktiseerden hun haarsnijkunsten en presenteerden een muziekprogramma met onder meer de retroswingband Small Time Crooks, stoere mannen met een hang naar ‘barber shops’ en muziek uit de jaren dertig van de vorige eeuw.

Rapper Omar leek in te haken op het betoog van professor Dijkgraaf met een voorleesbeurt uit zijn nog te verschijnen debuutroman Oerknal. Herman Pleij, nog zo’n bevlogen professor die zijn gehoor met gemak een uur bij de les hield, betoogde dat de kunst van het rappen zijn oorsprong heeft in de Middeleeuwen. Pleij illustreerde zijn stelling met een laaiend enthousiast ontvangen, ritmisch gebracht stukje oud-Nederlandse tekst.

Het muziekgedeelte van het festival werd geopend door violiste Liza Ferschtman en het Concertgebouw Kamerorkest, die Argentijnse tango en klassieke sferen combineerden in een stuk van Astor Piazzolla. Giel Beelen presenteerde enkele prille singer-songwriters uit zijn talentenjachtprogramma en er vormden zich grote rijen bij de Gashouder voor artiesten die hun guilty pleasure op muziekgebied botvierden, zoals Mister and Mississippi, die zich waagden aan een lieflijk gezongen YMCA van de Village People. De flamboyante Jett Rebel toonde dat hij dit jaar zijn eigen plek op alle festivals verdient.

Tussen de vlakke closeharmonypop van de tweeling Tangarine en de lekkere gitaarrock van Sky Pilots stond de jonge Nederlandse sensatie The Silverfaces, die een uiterst dynamische mengvorm brachten van ouderwetse orgelpop à la Deep Purple en brutale rocksongs in het vaarwater van de Arctic Monkeys. Zanger/gitarist Jesse Koch is een groot talent dat zich de geheimen van Eric Clapton, Jimmy Page en Ritchie Blackmore eigen heeft gemaakt en zingt als een onverschrokken britrocker.

Noodweer aan het eind van de middag maakte dat Blaudzun er op het grote buitenpodium een minder groot feest van kon maken dan De Jeugd Van Tegenwoordig vóór hem. Hij sloeg zich er heldhaftig doorheen met zwaar aangezette dramapop. De Vlaamse Selah Sue zong haar zwoele reggaesurrogaat voor een veld vol regencapes, terwijl er gescholen kon worden bij een goochelshow van Ramana of de parade van gekke voorwerpen die huisdichter Nico Dijkshoorn ten tonele bracht. Een mijnwerkerslamp en een megafoon dienden als aanleiding voor koddige verhaaltjes.

De best vertegenwoordigde muziekstijl op dit festival zonder nadruk op grote of nieuwe namen was een verantwoorde vorm van soft-soul, van Kelis die van een dartel hiphopmeisje veranderd bleek in een volgroeide klassieke soulzangeres en Michael Kiwanuka met beleefde, jazzy soulliedjes.

Paolo Nutini betoverde het grote podium met een doorleefde seance waarmee hij de geesten van Marvin Gaye en Otis Redding leek te willen oproepen. Zijn stem is rauw en bevlogen, in muziek van zijn laatste album Caustic Love waarmee hij voorgoed ontsnapt aan de sfeer van epigonisme die hem vroeger nog wel eens aankleefde.

Bij Iron Sky klonk de stem van Charlie Chaplin door het Westerpark, in een fragment uit de film The Great Dictator waarin hij mensen voorhield hun eigen keuzes te maken en niet slaafs achter leiders aan te hobbelen.

De Wereld Draait Buiten was een veelzijdig dagje uit met als bonus de verdieping van grote wetenschappers die hun vertelkunsten uit de collegezaal naar het festivalpubliek brachten.

Professor Scherder bleek veel bedrevener in de publieksmennerij uit de popmuziek dan hij zelf dacht. „Zijn jullie er nog”, vroeg hij halverwege, „ook daar achterin?” De handjes gingen net zo massaal de lucht in als bij De Jeugd Van Tegenwoordig.