Is het laatste bedrijf in Irak begonnen?

Correspondent Thomas Erdbrink komt al jaren in Irak en zag het land uiteen vallen. Extremistische sunnieten zijn in opmars richting Bagdad. Shi’ieten maken zich op voor de tegenaanval. Vorige week was hij in Najaf en vroeg zich af: is dit het laatste bedrijf?

Shi’itische vrijwilligers in gevechtstraining bij Karbala, ten zuiden van Bagdad. Ze bereiden zich voor op de strijd tegen ISIS en andere sunnitische groepen die een groot deel van Irak hebben veroverd.

In het stadion van FC Najaf marcheren vrijwilligers in witte T-shirts over het stoffige voetbalveld. Shi’itische geestelijken en commandanten kijken tevreden toe. Iemand heeft zijn smartphone aan een geluidsinstallatie gehangen en de marsmuziek schalt over het veld.

Een van de geestelijken spreekt me aan. „We maken een nationaal leger”, zegt Ali al Morejani. „We maken een leger om de Iraakse identiteit te redden.” Dan moeten we aan de kant als het Abelfazl bataljon voorbij komt stampen, vernoemd naar een shi’itische heilige. Voorop loopt een vaandeldrager met een shi’itische groene vlag, die glanst in de laaghangende middagzon.

Ik knik en schrijf op wat de geestelijke zegt, ook al is het allemaal onzin. Iedereen in zijn ‘nationale leger’ is shi’iet: hijzelf, de commandanten en alle vrijwilligers in hun witte shirts. „Ya Mahdi!” roepen ze om de haverklap, de naam van de shi’itische messias.

Ik was voor het eerst in Irak in 2002: een 26-jarige correspondent aan de vooravond van de oorlog van onze tijd. Sindsdien heb ik Irak zien afglijden van een natiestaat geleid door een nietsontziende dictator, tot een misvormd samenraapsel van bevolkingsgroepen, die elkaar zo haten dat ze eindeloos video’s maken van elkaars executies.

Het Westen, geleid door de Amerikanen, wilde van het land een democratie maken. Maar in praktijk leidde de opgelegde evenredige vertegenwoordiging van de verschillende bevolkingsgroepen alleen maar tot meer vervreemding.

In oktober 2002 organiseerde Saddam Hussein zijn laatste verkiezingen. Met andere journalisten werd ik met bussen en vliegtuigen door het land getransporteerd. In Mosul zat ik voorin de bus en zag nog net hoe het stemvee verveeld op plastic stoeltjes zat, maar snel opsprong toen de bus in zicht kwam. Een man begon op een keyboard te spelen. Andere mensen staken dansend naalden in hun vingers om voor de camera’s hun stembiljetten in te vullen met druppels bloed, en te roepen dat hun bloed voor Saddam was.

In die tijd, waarin iedereen schichtig om zich heen keek omdat de geheime dienst overal aanwezig was, waren vragen over de verschillende etnische groepen in het toen nog seculiere Irak taboe. „Er zijn geen shi’ieten, sunnieten en Koerden”, zeiden mensen braaf, de grammofoonplaat van de staatstelevisie herhalend. „Er zijn alleen maar Irakezen in Irak.”

Nu kent het land, samengevoegd door de Britten, gekneed uit verschillende provincies van het Ottomaanse rijk, bijna geen Irakezen meer.

De shi’ieten, comfortabel in de meerderheid, zeggen dat zij de centrale regering, de politie en het leger zijn. Irak’s sunnieten, die sinds de val van Saddam Hussein in 2003 als paria’s zijn behandeld, zijn in de armen van de extremisten van de Islamitische Staat van Irak en de Levant (ISIS) gedreven. De Koerden tenslotte, hadden al de facto een onafhankelijke staat sinds 1991. Hun leider, Massoud Barzani, zegt dat dit het moment voor volledige onafhankelijkheid is.

Een paar maanden later, in 2003, was ik terug in Irak. In Bagdad. Ik dronk koffie in het Palestina Hotel waar het portret van Saddam Hussein, die zijn verkiezing met 97 procent van de stemmen had ‘gewonnen’, was neergehaald. Amerikanen in legerlaarzen nipten thee in de lobby. Irak was een nieuw land geworden.

Voor de betonnen barricades die nu voor het hotel waren opgeworpen stonden boze, veelal sunnitische legerofficieren te demonstreren in de zon. Ze waren allemaal ontslagen door de nieuwe Amerikaanse leiders, die het nieuwe leger van de grond af wilden opbouwen. „Wij pikken dit niet”, vertelde een van de mannen me. „Denk je dat wij nu rustig thuis gaan zitten?” Veel van deze mannen vormden later de ruggengraat van het verzet, eerst tegen de Amerikanen en nu tegen de regering.

Om de „niet tegen te houden kracht van de democratie” een handje te helpen, had de Amerikaanse opperbestuurder in Irak, Paul Bremer, een regeringsraad in het leven geroepen. De raad met 25 leden moest een etnische en religieuze afspiegeling van het nieuwe Irak zijn, dus was de meerderheid – 13 leden – shi’itisch. Verder waren er 5 sunnieten, 5 Koerden, een Turkmeen en een Assyriër. De shi’ieten, blij met hun nieuw verworven macht, gingen wel 20 keer bidden in plaats van de voorgeschreven 5 keer. De Koerden waren alleen maar bezig met hun eigen belangen en de sunnieten klaagden dat ze gemarginaliseerd werden.

Vanaf dat moment was alles sektarisch in Irak, simpelweg omdat het nieuwe democratische systeem werd georganiseerd langs de lijnen van religie en etniciteit.

Rond die tijd sliep ik in het huis van de sunnitische familie Savad. Werkzaam in de olie-industrie waren grootvader en zonen typische vertegenwoordigers van de Iraakse middenklasse. Midden in de nacht, als het geratel van machinegeweren van plunderaars en ander tuig door de straten klonk, zaten we met zijn allen bang in het donker in de woonkamer te wachten tot het voorbij was.

„Ik wil niet weten wie shi’iet of sunniet is”, zei oma Savad. Kinderen huilden en in de verte klonken explosies. „Ik wil een normaal leven.” Een jaar later hoorde ik dat een van de Savads was doodgeschoten. Ik weet niet of de rest nog in Irak woont.

De wensen van de middenklasse ten spijt: het was al te laat. In het shi’itische zuiden stond het leger van de Mahdi op. In het westen, sunnitisch Irak, werd Al-Qaeda actief. En de Koerden bleven hun grenzen versterken.

In 2006 en 2007 werden hele wijken etnisch gezuiverd in een sektarische burgeroorlog. Shi’ieten werden per dozijn opgeblazen in een tsunami van autobommen en zelfmoordenaars met bomgordels. De volgende ochtend werden sunnieten bij bosjes op de vuilnisbelten van Bagdad gevonden met hun lichamen vol gaten, gemaakt door boormachines.

Er waren verkiezingen. Nouri al-Maliki, een shi’iet, werkte zich op tot premier en nieuwe sterke man. Voor een korte periode was er rust, maar de ruime shi’itische meerderheid in het land maakte Maliki arrogant en populistisch. Sunnieten werden nog verder gemarginaliseerd. Zijn speciale troepen, – getraind door de Amerikanen – hielden er geheime gevangenissen op na, waar veel van de sunnitische „terroristen” nooit meer uitkwamen.

In 2010 was ik terug in Mosul, embedded met de Amerikaanse speciale troepen. Avond na avond trokken we er erop uit om de deuren van bad guys in te trappen, samen met overwegend shi’itische militairen. De Amerikanen waren moe en wilden naar huis. Niemand wilde inzien dat het regeringsleger een shi’itisch bolwerk was geworden: in de ogen van de sunnieten een bezettingsmacht. „Deze mannen doen alles volgens het boekje, ze hebben arrestatiebevelen”, vertelde een Amerikaanse officier me. „We kunnen Irak met een gerust hart verlaten.”

In Najaf, een week geleden, lijkt het laatste bedrijf van het uiteenvallen van Irak te zijn begonnen. Op iedere straathoek staan jonge mannen met glanzende wapens, die niet snel weer onder bedden en in kasten zullen worden verstopt. Daarvoor is er te veel gebeurd, er lijkt geen compromis mogelijk. „Onze sunnieten zijn slechte sunnieten”, zegt een van de geestelijken die de shi’itische vrijwilligers aan het trainen is. „We moeten ze straffen.”