Column

Een valuta-oorlog – met andere middelen

Als de openbare retoriek ook binnenskamers geldt, dan brengen de Fransen vandaag een extra puntje in bij de bijeenkomst van de Europese ministers van Financiën in Brussel. Michel Sapin, de Franse bewindsman, zal daar verzoeken of geen werk kan worden gemaakt van een alternatief voor de dominantie van de Amerikaanse dollar in het internationale betalingsverkeer.

Er is een directe aanleiding: de woede in Parijs over de megaboete die bank BNP Paribas moet betalen aan de Amerikaanse autoriteiten als straf voor het doen van zaken met onder meer Soedan en Iran. Negen miljard dollar wordt het. Dat de boete zo hoog is, heeft twee belangrijke oorzaken. De eerste is dat BNP Paribas op geen enkele manier meewerkte aan het onderzoek van de Amerikaanse justitie naar de transacties. De tweede is simpel: omdat het kán.

Geen enkele grote bank kan zich permitteren geen zaken te doen via de internationale dollarmarkt. Een overweldigend deel van de internationale handel gaat in dollars – denk aan olie. De dollar is deel van 87 procent van de dagelijkse handel op de valutamarkt – een aandeel dat sinds eind vorige eeuw niet is gezakt. De omzetten in de internationale obligatiehandel: een meerderheid in dollars. En de VS zijn zelf een grote markt waarin geen enkele grote bank afwezig wil zijn. Geen toegang tot dollars is geen optie. En dus slik je die boete.

Grote banken spelen niet zelden een directe, of besmuikte, rol in de internationale politiek – vaak als uitvoerende arm van de regering. En dat geldt zeker voor BNP Paribas en de Franse staat. Maar wat als diezelfde banken zich in de praktijk moeten houden aan de buitenlandse politiek van een ander land, in casu de Verenigde Staten?

Extraterritoriale jurisdictie heet dat: het handhaven van het recht buiten het eigen grondgebied. En boetes van negen miljard dollar zetten dat behoorlijk kracht bij. De Franse minister Sapin, vorige maand geciteerd in deze krant: „Dat de Amerikaanse normen door de dollar ook buiten het eigen grondgebied van toepassing zijn, moet ertoe leiden dat Europa zich mobiliseert om het gebruik van de euro als internationaal ruilmiddel te versterken.”

De sfeer is er naar, en niet alleen in Frankrijk. De ontmaskering van een dubbelspion in Duitsland komt bovenop het afluisteren van de mobiele telefoon van bondskanselier Merkel door de Amerikaanse inlichtingendienst NSA. Maar veranderingen in het internationale monetaire systeem gaan langzaam, heel langzaam. En of de euro dan het alternatief wordt?

Londen doet er alles aan om hét centrum te worden in de handel in Chinese renminbi en haalde de China Construction Bank binnen als eerste officiële dealer in de munt – dat is de bank waar oud-premier Wim Kok in het bestuur zit.

Centrale banken doen er intussen alles aan om als monetaire pijplijn tussen China en Europa te gaan fungeren en het eigen financiële centrum al vast te positioneren. De Franse centrale bank bijvoorbeeld, die van Luxemburg en ook de Europese Centrale Bank zelf.

De activiteit Chinese munt is nog klein, omdat van vrij kapitaalverkeer geen sprake is. Het aandeel in de mondiale valutahandel is 2,2 procent. Maar iedereen wil klaar staan als China op een later moment de renminbi vrij geeft voor het internationale kapitaal- en betalingsverkeer – hopelijk pas nadat het financiële systeem daar is opgeruimd.

En de euro? De gedroomde Europese wereldmunt wil er maar niet van komen. Voorlopig wijzen de Europese pogingen om onder de dollardominantie uit te komen richting China. Mogen de banken dan straks het Chinese buitenlandse beleid gaan uitvoeren, op straffe van uitsluiting in de renminbi-handel? Niet alle verandering is vooruitgang.