Alleen Duitsland kan Europa bij elkaar houden

Als de Duitsers niet bereid zijn om veel geld in de EU te stoppen, is het voorbij met de Europese integratie, denkt Ian Buruma.

illustratie KAP

Mijn ouders hebben elkaar voor het eerst ontmoet op een berg boven het meer van Annecy. Zij waren daar op vakantie, mijn vader uit Den Haag en mijn moeder uit Genève, waar zij toen Frans studeerde. Hij was de zoon van een doopsgezinde dominee, zij kwam uit een geassimileerde joodse familie in Engeland, waar haar grootvaders, geboren in Frankfurt, zich in de jaren 1880 hadden gevestigd.

Ik ben dus, met het bloed uit ten minste drie Europese landen in mijn aderen, zo Europees als men maar zijn kan. Nu ik in Amerika woon, ben ik me daarvan nog extra bewust. Maar ben ik daarom ook een overtuigde aanhanger van de Europese Unie?

Met mijn verstand, zeker. Voor onze veiligheid en handel zie ik de voordelen van gemeenschappelijke instellingen best in. Oorlog tussen de grote Europese landen is haast ondenkbaar geworden. En we hebben die instellingen nodig om gemeenschappelijke Europese belangen te verdedigen tegen opkomende machten, zoals China. De EU is bovendien een aantrekkelijk model voor landen die de liberale democratie nastreven.

En toch zijn de politieke instellingen van de EU niet in staat om Europese burgers aan zich te binden met het soort loyaliteit dat noodzakelijk is om een open samenleving te handhaven. Al die raden en commissies in Brussel en het Babylonische parlement in Straatsburg staan ver van de gemiddelde burger af en maken een droge, ingewikkelde en enigszins autoritaire indruk. Ik en vele anderen met mij vinden dat het tot dusver niet gelukt is om culturele verbondenheid op een Europees niveau te laten samenvallen met politieke saamhorigheid.

Is er een idee van Europa denkbaar dat mij zowel politiek als cultureel kan binden? Er zat voor mij altijd een katholiek geurtje aan de droom van Europese vereniging die aan de basis lag van eerst de EEG, en later de EU, de lichte wierooklucht van het Heilige Romeinse Rijk.

Het hart van de naoorlogse gemeenschap lag in het grensgebied tussen Duitsland en Frankrijk, het Rijnland en de Elzas. Wellicht was Aken een geschiktere hoofdstad voor Europa geweest dan Brussel. De architecten van de gemeenschap – Adenauer, Schuman, Monet, De Gaspari – waren christen-democraten uit gelovige katholieke families.

De oude droom van Europese vereniging in de hoofden van heel verschillende figuren als Erasmus en Alphonse de Lamartine was altijd al diep christelijk, een soort religieuze utopie van eeuwige vrede onder een gemeenschappelijke God. De ware Europeaan was per definitie een christen, een idee dat enkele recente pausen graag opgenomen wilden zien in de Europese grondwet – zonder succes, gelukkig.

Niet dat je dit noodzakelijk aan hun katholieke geloof moet wijten, maar het is opmerkelijk dat sommige bouwers aan het gemeenschappelijke Europese huis, zoals Jean Monnet, een technocratische hang naar centraal gezag hadden en een zeker wantrouwen koesterden tegen democratische instellingen, die naar hun smaak maar leiden tot wanorde, twist en zelfzuchtigheid.

Nee, als een aantal vakkundige en welwillende heren nu maar eens samen de handen uit de mouwen kon steken, zonder hinderlijke inmenging van politici en kiezers, dan zou het allemaal wel goed komen met Europa. Zo ongeveer dacht Jean Monnet.

Er zijn natuurlijk andere historische modellen voor gemeenschappelijk politieke instellingen. Zelf heb ik een romantische sympathie voor de oude Hanzesteden. Ik vind het idee van vrije handelssteden aan de Noordzee en de Baltische kust, die elkaars belangen verdedigden in een losse vereniging, niet onaantrekkelijk. Dat Hitler een hekel had aan Lübeck, omdat de nazi’s daar in 1932 geen campagne mochten voeren, is nog een extra pluspunt. Maar al was de Hanze wijdverbreid, zij strekte zich alleen uit naar wat grotere steden en dan alleen in bepaalde delen van Europa.

Als ik denk aan Europa, dan zie ik altijd een boekje voor me dat ik eens in een antiquariaat in Amsterdam heb aangeschaft. Das Gesicht der Niederlande, zo heet dat boek, in 1943 geschreven door SS-Obersturmführer Ernst Leutheusser. Het betreft een reisgids voor SS-officieren die naar Nederland werden gestuurd, met aardige kiekjes van grachten, molens, kaasmarkten en zo nog meer.

Er zit ook een tekst bij die foto’s, die de lezer moet uitleggen hoe het zit met de grondige tegenstellingen die in Nederland zouden bestaan. In het oosten van het land, grenzend aan Duitsland, woont een voornamelijk uit boeren bestaande bevolking van rasechte Ariërs. Dit, zo zette Leutheusser uiteen, is het ware Europa. De kuststeden in het westen zijn daarentegen verloederd door hebzucht, culturele decadentie en rassenvermenging. Amsterdam, zo heet het, is ‘verjoodst’. Dat hoort eigenlijk helemaal niet bij Europa.

Maar dat westen is nu net mijn Europa. Daar ben ik geboren en getogen in een gezin van ‘gemengde’ ouders. Mijn Europa is hopeloos verjoodst. Het is nu eenmaal niet anders. Het was natuurlijke een perfide ideologie die Leutheusser uitdroeg. Daar gelooft haast niemand meer in, al is het waar dat sommige populisten ons bang maken dat de Europese beschaving door ‘islamisering’ ernstig zou worden bedreigd, alsof er een pure Europese beschaving zou bestaan. Maar de analyse van Leutheusser toont wel aan dat we Europa op veel verschillende manieren kunnen onderverdelen.

Er is niet één idee van Europa. Om in Brussel een dergelijk idee te creëren met behulp van vlaggen, liederen, intellectuele congressen en vrome speeches, is gedoemd tot mislukken. En om aan zo veel heel verschillende landen één nationaal model op te dringen is al helemaal heilloos.

Toch blijf ik een aanhanger van de EU, als een vereniging van nationale staten met gemeenschappelijke belangen. Europese instellingen die nationale instellingen moeten aanvullen maar niet vervangen, hebben de loyaliteit van Europese burgers hard nodig. Dit kan niet zonder een gevoel van saamhorigheid. Gemakkelijk zal dat niet zijn. Belangen in verschillende delen van het continent vallen niet altijd samen. Dat kunnen we goed zien aan de problemen in de eurozone.

Het was misschien ook geen goed idee om een gemeenschappelijke munt in te voeren zonder politieke unie. Maar alle landen in de eurozone hebben jarenlang geprofiteerd van de euro, de noordelijke landen omdat de munt goedkoop was en de zuidelijke omdat zij eindeloos geld konden lenen, wat weer enorme winsten opleverde voor de noordelijke banken.

Zodra de crisis kwam, begonnen de belangen uiteen te lopen. In het zuiden (en Ierland) ontstond een economisch drama, het noorden weigerde hen adequaat te hulp te schieten en de eurozone kwam in groot gevaar.

Maar in plaats van uit te leggen waarom het in ieders belang was, in noord en zuid, om Griekenland, Portugal en Spanje zo snel mogelijk weer overeind te helpen, deden politici net alsof die hele crisis het resultaat was van typisch mediterrane corruptie en vadsigheid.

Dat er corruptie is, leidt natuurlijk geen twijfel. Maar het minste wat politici kunnen doen, als er ooit iets van Europese vereniging terecht moet komen, is appelleren aan pan-Europese solidariteit. In de laatste tien jaar deden zij helaas precies het tegenovergestelde.

Het sleutelland is natuurlijk Duitsland, de enige mogendheid met de economische kracht om Europa in zijn huidige vorm bij elkaar te houden. Dit zou enige financiële offers vergen, die Duitsland zich nu gemakkelijk kan veroorloven. Als Duitse burgers niet bereid zijn om dit te doen, dan is het waarschijnlijk gedaan met het experiment om Europa te integreren. Noord en zuid zouden in dat geval misschien gedwongen worden hun eigen weg te gaan – welke kant Frankrijk zou kiezen is maar de vraag.

Dit zou wellicht kunnen leiden naar de herleving van een soort Hanze in het noorden. Geen slecht idee wellicht, maar dat is mijn eigen vooroordeel.