10.000 uur oefenen maakt nog geen expert

Het idee dat het 10.000 uur kost om ergens expert in te worden, is nu ontkracht.

Tien jaar intensief oefenen, minstens. Na die tien jaar ben je dan een expert – in muziek maken, schaken, sporten, wat dan ook. Dat concludeerden de Zweedse psycholoog Anders Ericsson en zijn collega’s in 1993 in Psychological Review. Ze hadden bijvoorbeeld laten zien dat de beste violisten op 20-jarige leeftijd meer dan 10.000 uur hadden geoefend. Oefenen, concludeerden Ericsson en collega’s, is bepalender dan talent. De bekende journalist Malcolm Gladwell was een van de schrijvers die het onderzoek populariseerde. In Outliers (2008, vertaald als Uitblinkers, 2010) beschreef hij het als de ‘10.000-uur-regel’ en zo kwam het ook in het publieke bewustzijn terecht: als je iets maar minstens tienduizend uur oefent, dan word je er heel erg goed in.

Maar is het waar? Een nieuwe meta-analyse, waarin de gegevens uit 88 onderzoeken zijn gecombineerd, met in totaal ruim elfduizend proefpersonen, laat zien dat het verband tussen oefenen en prestatie dun is. Het onderzoek is vorige week online gepubliceerd bij Psychological Science.

De Amerikaanse psychologen verzamelden al het onderzoek dat ze konden vinden waarin het verband tussen training of doelbewust oefenen enerzijds en prestaties of bekwaamheid anderzijds bij mensen was onderzocht en gekwantificeerd. Dat verband was meestal positief: hoe meer oefening, hoe beter de prestaties. Maar gemiddeld verklaarde het effect van oefenen slechts 12 procent van de verschillen in prestaties tussen mensen.

De rest van de verschillen in prestaties, schrijven de Amerikanen, kan misschien worden verklaard door bijvoorbeeld algemene intelligentie, de grootte van het werkgeheugen of de leeftijd waarop iemand begint met oefenen – misschien is er een optimale periode om bepaalde dingen te kunnen leren, zoals ook bij taal leren.

Het verband was het zwakst in de zorgvuldigst opgezette onderzoeken: als bijvoorbeeld mensen hun uren oefening in een dagboekje hadden bijgehouden, in plaats van het zich achteraf te herinneren, of als er een objectieve maat voor de prestaties was, of een expertbeoordeling, in plaats van een grove maat als amateurs versus profs.

Het maakte ook uit wát mensen oefenden: voor games, muziek en sport was het verband tussen oefenen en prestaties sterker dan voor grovere categorieën als ‘onderwijs’ of ‘werk’.

Het verband tussen oefenen en prestaties hoeft trouwens ook geen causaal verband te zijn, ook al interpreteerden Ericsson en collega’s het wel zo. Het kan best zo zijn dat kinderen die ergens aanleg voor hebben het gewoon veel prettiger vinden om die activiteit te oefenen. Alleen al daardoor kunnen ze redelijk makkelijk aan die tienduizend uur zijn gekomen. Kinderen met minder talent hebben dan al lang opgegeven of veel minder vaak geoefend.

Het oefenen hoeft de prestaties dus niet te verbeteren: de goede prestaties kunnen ook (deels) een kwestie van aanleg zijn. Dat debat ligt nog open.

Twee van de Amerikaanse onderzoekers proberen al langer om Ericssons ideeën recht te zetten. In een artikel in Intelligence (juli/augustus) benadrukken ze dat sommige mensen geweldige prestaties leveren zonder veel te oefenen, terwijl anderen dat nooit lukt, hoe veel ze ook oefenen. En sommige mensen leren binnen twee jaar op hoog niveau schaken, terwijl anderen daar 26 jaar over doen. Kortom: de 10.000-uur-regel is een mythe en de vraag waarom de een wel een expert wordt en de ander niet zal de psychologie nog wel even bezighouden.