We keren ons tegen het kostbare

Kristofer Schipper is taomeester en vertaalde Confucius. „De Chinezen hebben hun cultuur op de mestvaalt gegooid”, zegt hij bij boekweitnoedels.

Kristofer Schipper (80), sinoloog en antropoloog, schenkt Oo longthee in kopjes van groen keramiek. Op tafel staat een schaaltje dadels. We drinken. Even is het stil in zijn studeerkamer in Amsterdam. Thuis lunchen had zijn voorkeur, hier kan hij zijn boeken en computer raadplegen. Op de achtergrond klinken keukengeluiden. Echtgenote Yuan Bingling is bezig met de voorbereiding van het middagmaal. Ondertussen haal ik zijn boeken uit mijn tas: De geschriften van Zhuang Zi, Confucius, de gesprekken en Het boek van Tao. De drie wereldberoemde werken die hij uit het klassiek Chinees vertaalde.

Wat er voor ons op tafel ligt is, heel bruusk gezegd, het Chinese equivalent van de Thora, de bijbel én het verzameld werk van Aristoteles. Het zijn geschriften die eeuwenlang de Chinese cultuur, religie, levensbeschouwing en staatsinrichting bepaalden. Kristofer Schipper staat op om de kat naar buiten te laten. Bij de deur draait hij zich naar me om en buigt zijn hoofd, bescheiden. „Ik ben vereerd”, zegt hij, „door uw belangstelling en bereidwilligheid met mij over deze zaken te spreken.” Hij gaat weer zitten en wijst op het stapeltje boeken. „Geen eenvoudige materie.”

In één adem verontschuldigt hij zich voor de dikte van het laatste boek dat hij vertaalde, dat van filosoof Confucius. „Het viel mij tegen hoe veel werk het was.” Het boek is een verzameling aforismen; korte, kernachtige uitspraken die „langzaam en nadenkend” gelezen moeten worden. „Met kleine woorden wordt veel gezegd. Chinezen zijn dat gewend.” Eén karakter kan moeiteloos drie of meer betekenislagen bevatten. Betekenissen die allemaal uitleg behoeven en die bovendien kennis veronderstellen van die andere grote Chinese wijsgeer Lao Zi, de grondlegger van het taoïsme.

Wie nu al de draad kwijt is, moet dit onthouden: al sinds de oudheid bestonden in de Chinese samenleving drie religies naast elkaar. Chinezen noemen het sanjiao, de ‘Drie leren’: boeddhisme, confucianisme en taoïsme. Bijzonder, zeker voor westerse begrippen, is dat die drie stromingen elkaar niet bestreden, maar redelijk vreedzaam naast elkaar bestonden, en elkaar juist aanvulden. Het boeddhisme, een wereldreligie, versoepelde de contacten tussen China en de buurlanden in Azië. Het confucianisme regelde de maatschappelijke orde. Het gaf leefregels: hoe de relatie tussen ouder en kind moet zijn, tussen echtparen, tussen vrienden, tussen heersers en dienaren. Het taoïsme is mystieker, het gaat over de individuele vrijheid van de mens, zijn creativiteit en expressie, het is zelfs een tikje anarchistisch. Het is een religie die mensen onderling, binnen hun dorp, school of familie beoefenen. Kristofer Schipper: „Taoïsme kan niet bestaan zonder confucianisme. Vrijheid is er alleen, als de samenleving goed geregeld is.”

Kristofer Schipper is zelf taomeester. Hij is de eerste en misschien wel de enige westerling met die status. Hoe hij dat geworden is, is een lang verhaal dat begint bij zijn studie, in Parijs. Het was zijn bedoeling om daar werk te vinden in de kunsthandel. Vooral de Chinese kunst fascineerde hem. Hij wijst naar een eenvoudige pot van keramiek op het dressoir. „Typisch taoïstische kunst. Geïnspireerd op de vorm van een berg.” Ik knik, zonder echt te begrijpen wat hij bedoelt. Begrip voor kunst, zegt hij, krijg je door diepgaande kennis van de cultuur en de religie van een land. Vandaar dat hij besloot eerst maar eens goed Chinees te leren. En daarna Japans. En ondertussen antropologie. Hij nam de Franse nationaliteit aan, dat moest om lid te kunnen worden aan de Academie Française. Die zond hem vervolgens naar Taiwan, om veldonderzoek te doen naar religieuze rituelen.

En daar, in die „uithoek van het keizerlijke rijk” was hij getuige van een taodienst. Een dienst waarvan iedereen dacht dat die eeuwenoude traditie niet meer bestond. Taoïsme is meer dan een geloof of een religie. Je bent taoïst of niet, je ‘wordt’ het door geboorte, vergelijk het met al dan niet joods-zijn. Kristofer Schipper liet zich adopteren door een taofamilie. Zijn ‘vader’ wijdde hem in in alle innerlijke (meditatie) en uiterlijke rituelen (muziek, dans, offeren).

De Taiwanese taofamilie, zegt hij, deed hem denken aan de domineesfamilie waarin hij was opgegroeid. Een familie met één oudere broer, een moeder en een stiefvader, dominee Klaas Abe Schipper.

Het liefst zou Kristofer Schipper zijn „persoonlijke levensloop buiten beschouwing” laten. Hij schrijft na afloop van de lunch per mail dat zijn levensgeschiedenis eerder al uitvoerig is opgetekend door Max Pam en dat aan zijn moeder „diverse hoofdstukken” in dissertaties zijn gewijd. Zijn moeder was Johanna Kuiper, kinderboekenschrijver, bewust ongehuwde moeder en metgezellin van Floor Wibaut, de SDAP-politicus. Overigens is Wibaut niet zijn ‘echte’ vader, dat was een joodse kunstenaar.

Let bygones be bygones”, stelt hij voor. „Eerdaags word ik 80. Mijn verleden is heel lang geleden.” Hij begon alleen maar over vroeger om uit te leggen dat het „vak van zielzorg” van zijn taovader hem bekend voor kwam. Moeiteloos aanvaardde hij ook de positie die hoort bij de ‘zoon van’. „De dominee en de taomeester hebben in een kleine gemeenschap een uitzonderlijke status. Hun zoon dient zich netjes te gedragen, opdat er geen kwaad woord over hem gesproken wordt.”

Wakamesalade

Bingling noodt ons aan tafel. Er is gedekt voor drie. Sushi van de Japanse traiteur, wakamesalade en een warm noedelgerecht dat ze zelf heeft bereid. Kristofer Schipper stapt over op Engels, afgewisseld door Nederlands (met mij), Chinees (met zijn vrouw) en Frans als hij vergeet in welke taal hij ook alweer bezig was. Zijn vrouw en hij wonen ook in Fuzhou, in China, waar ze samen een bibliotheek oprichtten voor Westerse kunst en literatuur. Ze gaan om en om, één van hen blijft altijd in Nederland. „Ik ben een oude man, maar een jonge vader.” Hun dochter Maya van 13 gaat in Nederland naar school. Voor haar zijn ze in Amsterdam gaan wonen. Hij: „Volgens Unesco is de jeugd nergens zo gelukkig als hier.” Zij, zelf hoogleraar Chinese geschiedenis, gruwde van het Chinese schoolklimaat. „Zo competitief, zo dwingend. We wilden haar een echte jeugd geven.”

Kristofer Schipper neemt een gezouten pruim tussen zijn stokjes. „Goed voor de spijsvertering.” Het heeft iets wonderlijks dat vooral hij aan tafel spreekt over de religie en cultuur van China. Zij haalt, berustend, haar schouders op. Hij weet er nou eenmaal meer van dan zij. Zij groeide op in communistisch China, waar elke vorm van religie was uitgebannen. „Mijn grootmoeder was boeddhist. Een heel enkel keertje, als ze zeker wist dat mijn ouders er niet achterkwamen, vertelde ze me erover.” Onder Mao is het Chinese volksgeloof om zeep geholpen. Maar ver vóór hij aan de macht kwam, hadden de westerse christenen al een begin gemaakt.

In zijn studeerkamer zet Kristofer Schipper zijn computer aan. Hij heeft een powerpointpresentatie gemaakt over Confucius. Pagina voor pagina loopt hij het met me door. Waar het op neer komt is dat de zestiende- en zeventiende-eeuwse kooplieden uit het Westen handel wilden drijven met China. „Dat ging het best, zo was de ervaring van het VOC, als eerst iedereen christen was.” In Afrika en Indonesië was de kerstening goed gelukt, maar het was lastiger in het grootste rijk ter wereld.

„De gebruikelijke bekeringsstrategie was om partij te kiezen voor één van de plaatselijke religies, en die – met wat verdeel en heers – tot staatsgodsdienst te bombarderen. Het recept was om een religie te vinden die kon dienen als basis, en daar bovenop dan het christendom te planten.” De leer van Kong Fuzi, met z’n morele en formele voorschriften, sprak hen het meest aan, ze verlatijnsten het tot confucianisme. Het Westen, zegt Kristofer Schipper, heeft het confucianisme van de Chinezen afgepakt, verpest en weer terug aan de Chinezen gegeven. „Pseudoconfucianisme” noemt hij het. „Confucius made in Europe.”

Om de nieuwe leer te laten floreren, moesten taoïsme en boeddhisme wijken. „Er werd een ravage aangericht in tempels. Rituelen en gebruiken werden verboden.” Begin zeventiende eeuw, toen het was gelukt de jonge keizer van de Ming-dynastie te bekeren, werden niet-confuciaanse heiligdommen per keizerlijk decreet door de Chinezen zelf verwoest.

Kristofer Schipper heeft nu de eerste Nederlandse vertaling gemaakt van de oorspronkelijke, niet verwesterde, klassiek Chinese teksten. Toch gek, een taomeester die Confucius vertaalt en toelicht? Een beetje alsof Mohammed de Bijbel vertaalt? Hij schudt zijn hoofd. Hem is bij het vertalen juist opgevallen hoe tolerant de leer van Confucius ook is. „Er spreekt begrip uit voor andersdenkenden. Eerbied voor de traditie. Binnen het taoïsme geldt: de mens is individu, maar ook ‘dividu’, een samenlevend wezen. Geloofsstrijd is een typisch westers idee.”

Het Westen heeft tweespalt gezaaid in China, zegt Kristofer Schipper. „De voorgaande eeuw hebben de Chinezen zich tegen zichzelf gekeerd en hun eeuwenoude cultuur op de mestvaalt van de geschiedenis gegooid.” Bingling knikt: „De meest gelezen boeken in China hebben titels als Wij lelijke Chinezen of Waarom Chinezen stinken.”

Hij ziet hetzelfde nu in West-Europa gebeuren. „Kerken sluiten, altaarstukken belanden bij de antiquair, crucifixen en Mariabeelden kosten dertig euro op de veiling. De psalmen, de religieuze architectuur en kunst. We schamen ons ervoor.” Terwijl nu in China langzamerhand de boeddhistische en taoïstische tempels worden herbouwd, is in Europa de destructie nog volop aan de gang. „We keren ons tegen wat ooit kostbaar was.” Hij glundert bij voorbaat om zijn eigen, radicale standpunt. Hier in het Westen, zegt hij, „plegen we enthousiast zelfmoord”.