Waarom zo dik?

Het merendeel van de Ghanezen in Nederland heeft overgewicht. Hoe zit dat? (En hoe kom je daar achter?)

tekst en foto’s Mirjam Remie, Sascha Meijer en Joram Bolle

Dit verhaal gaat over Ghanezen in Amsterdam-Zuidoost, beter bekend als de Bijlmer. En over hun gewicht. Tachtig procent van hen is namelijk te zwaar, blijkt uit een onderzoek uit 2010. 39 procent heeft obesitas.

Dit verhaal gaat ook over ons. Over drie beginnende journalisten uit Amsterdam, die gefascineerd raakten door deze cijfers. Die een beeld hadden bij de oorzaken: te weinig beweging, te veel eten, te weinig geld – maar ook niet meer wisten dan dat. Eigenlijk wisten we niet eens wat Ghanezen aten.

Obesitas onder Ghanezen in de Bijlmer werd het onderwerp voor een onderzoeksproject voor onze studie. We hadden er tien weken voor.

Ghanezen zijn ongezonder dan andere inwoners van de Bijlmer. Suikerziekte komt drie keer zo vaak voor, een hoge bloeddruk bijna twee keer zo vaak. Dat is gevaarlijk. Een hoge bloeddruk is de belangrijkste risicofactor voor hart- en vaatziekten. Leidt tot ziektes of zelfs sterfte.

We wilden het verhaal menselijk maken, het verhaal vertellen achter de cijfers. We zouden op zoek gaan naar een Ghanees gezin dat we konden volgen. Het verhaal van dat gezin zou het verhaal kunnen zijn van de hele gemeenschap.

Ja, dat zouden we doen. Dat moest wel lukken in tien weken.

Laten we onszelf nog even voorstellen: Sascha (24), Mirjam (23) en Joram (24). Alle drie waren we nog nooit in de Bijlmer geweest – behalve dan die paar keer tijdens rijles, een bezoek aan Ajax of de Mediamarkt. En, o ja, we zijn alle drie blank. En dun.

Gerucht in de gemeenschap

Er wonen 12.000 Ghanezen in Amsterdam, waarvan 9.000 in de Bijlmer. Op papier dan: ze zeggen weleens dat je bij elke drie Ghanezen met een paspoort er een vierde bij moet tellen zonder.

De meeste Ghanezen in ons land wonen in Amsterdam. Den Haag komt daarna. Dat komt door een gerucht in de gemeenschap: als je in Den Haag woont en je hebt nette kleren aan, denkt iedereen dat je een diplomaat bent. Dan hoef je niet bang te zijn dat de politie op straat naar je papieren vraagt.

Driekwart van de Ghanezen in Amsterdam is laagopgeleid. En de meesten verdienen weinig. In 2010 verdiende een Ghanees in Amsterdam gemiddeld 20.300 euro per jaar – ruim 11.000 minder dan de gemiddelde Amsterdammer.

Ruim tweederde van de Ghanezen in Nederland is in Ghana geboren. Ze kwamen naar Nederland in twee fasen. Tussen 1974 en 1983, door de oliecrisis in Ghana, en na 1990, door droogte, politieke instabiliteit en uitzetting van Ghanezen in Nigeria. Er zijn bijna geen Ghanezen ouder dan 65 in Nederland. Eenderde is onder de vijftien.

En de meesten zijn dus te zwaar.

Er is een aantal studies gedaan naar de Ghanese gemeenschap in Nederland en overgewicht. De Heliusstudie, door GGD en AMC, is een van de jongste. Die probeert in kaart te brengen hoe en waarom de gezondheid van bevolkingsgroepen in Amsterdam van elkaar verschilt. Waarom veel Ghanezen last hebben van diabetes en Turken en Marokkanen van astma.

De onderzoeker die we aan de telefoon krijgen, is kritisch. Obesitas onder Ghanezen is een complexe zaak, zegt hij, waarbij sociale en culturele factoren een rol spelen. „We doen hier al tien jaar onderzoek naar. Dat lukt je niet in tien weken.” Als we vertellen dat we op zoek gaan naar een Ghanees gezin, waarschuwt hij ons. „De Ghanese gemeenschap is heel gesloten. Benader hen voorzichtig.”

Veronica, de Oprah van de Bijlmer

Het is lastig om Ghanezen te vinden die willen praten, zegt ook Veronica van de Kamp. Als bekend Ghanees actrice en ambassadeur van Helius probeert zij ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk Ghanezen meedoen aan de studie. Ze omschrijft zichzelf als ‘de Oprah van de Bijlmer’.

Van de Kamp is getrouwd met een Nederlandse man, maar Nederlands spreekt ze nauwelijks. Ook in het Engels blijkt ze lastig verstaanbaar. Pas na een paar herhalingen lijken we allebei overtuigd van dezelfde tijd en plaats om af te spreken.

Van de Kamp is een verzorgde vrouw: gestifte lippen, hevige parfumwalm, een pruik met een volle bos krullen. Ze is fors – ze past in de statistieken.

Communiceren gaat in het echt beter dan aan de telefoon. Ghanezen werken veel en zijn laat thuis, zegt ze. Dan gaan ze eten, zwaar Afrikaans voedsel, en daarna meteen slapen omdat ze de volgende dag vroeg op moeten.

Ze wil ons helpen. Ze zal mensen in haar omgeving vragen of ze met ons willen praten. Ze geeft ons advies. Alle Ghanezen luisteren naar Ghanese radiozenders of kijken Ghanese televisie, zegt ze. Ze nodigt ons uit in haar televisieshow en op de radio.

Die week gaan we voor het eerst naar de Bijlmer. Naar vergadercentrum De Kandelaar, een verenigingsgebouw waar vijftien kerkgezelschappen huizen. We hebben een afspraak met Emmanuel Koney, spiritueel leider van de Pentecost Revival Church International: de Ghanese Pinkstergemeente. Hij is ook voorzitter van de Afrikaanse gemeenschap in Nederland. Zijn kamer is klein, maar chic. Veel zwart, een groot bureau. De kast staan vol trofeeën. Aan de muur hangt een beroemde gospelregel: Because he lives, I can face tomorrow.

Hij vertelt dat Ghanezen hard werken en >> >> geen tijd hebben om naar de sportschool te gaan. In Ghana reisden ze te voet en zweetten ze het zware, zoute eten uit hun lichaam. Hier is dat anders.

Toch gaat het nu allemaal beter, zegt Koney. Mensen beseffen volgens hem steeds meer dat ze gezond moeten eten. „Ik geef advies in de kerk. Dan zeg ik: ik woog 83 kilo, nu weeg ik 80! Nu weten mensen dat ze om zes uur moeten eten.”

Hij nodigt ons uit voor een Afrikaanse bijeenkomst, vrijdag in de Bijlmer. Er is gratis Afrikaans eten, zegt hij, en er wordt gesproken over alles wat er in de gemeenschap speelt.

‘Zijn jullie van de IND?’

In een zaal op de eerste verdieping van vergadercentrum De Kandelaar staat een tafel met grote bakken eten: nasi, gebakken vis en fufu, het favoriete eten van Ghanezen. Het is een zetmeelachtige substantie gemaakt van fijngestampte cassave, yam of bakbananen. Op een tafel ernaast staan allerlei soorten drankjes: Fernandes in twee kleuren, vruchtensappen, aanmaaklimonade en ook een kannetje water.

Als we met een bord eten een tafeltje zoeken achterin de zaal, worden we opgemerkt door een politieagent: „Zijn jullie van de IND?”

De avond blijkt georganiseerd om de afstand tussen (illegale) buurtbewoners en de autoriteiten te verkleinen. De politie is aanwezig, stadsdeelvoorzitter Tjeerd Herrema (PvdA) en, inderdaad, drie dames van de IND. De presentatie is in handen van Emmanuel Koney, die zich voor de gelegenheid heeft gekleed in traditionele blauwe kentekledij en het niet nalaat om iedereen die hij kent door de microfoon welkom te schreeuwen.

De aanwezige instanties vertellen iets over hun werkzaamheden voor de buurt. De IND geeft twee presentaties over veranderingen in de vreemdelingenwet. De vragen die worden gesteld hebben een zekere naïviteit, maar zijn tegelijkertijd verfrissend logisch.

Hoe kan het dat de regering detentie humaner wil maken, maar ook illegaliteit strafbaar stelt? En als op de powerpoint staat dat de regering een tijdelijke verblijfsvergunning verstrekt aan studenten, waarom geldt dat dan niet voor Ghanezen in Nederland? „In Ghana, I’m highly educated. I’m a lawyer. I could study here, I could work here.

Er zijn ook vragen van een heel andere orde:

„Is er wel genoeg plek voor onze doden?”

„Hoeveel geld kost het om mijn vrouw naar Nederland te halen?”

„Als mensen uit onze gemeenschap zelfmoord plegen, wat schrijven ze dan op de briefjes die ze nalaten? Zodat we ervan kunnen leren?”

Zo nu en dan interrumpeert Koney. Bijvoorbeeld op het moment dat een vrouw van de IND voor de zoveelste keer zegt dat mensen die niets crimineels hebben gedaan altijd op kantoor langs kunnen komen met vragen, zonder te worden opgepakt. „People are scared. They don’t know if they did something wrong. They’re not sure.

Over overgewicht durven we niet te beginnen.

We krijgen oploscappuccino

We bellen, bellen en bellen. Scholen, doktoren, Ghanese organisaties. Er zijn er meer dan vijftig in de Bijlmer. Bijna geen enkele organisatie heeft een website. Namen van voorzitters leveren nul hits op op Google. Telefoonnummers krijgen we via via.

Nooit weten we wat we aan de andere kant van de lijn kunnen verwachten: Nederlands of Engels, gebrekkig of verstaanbaar. De taalbeheersing onder Ghanezen blijkt een stuk slechter dan we dachten. Om onszelf zo duidelijk mogelijk te maken, schreeuwen we door de telefoon. „WE ARE JOURNALISTS. WE’RE DOING A PROJECT ABOUTH HEALTH AND WEIGHT IN THE COMMUNITY!” Bijna altijd krijgen we te horen: kom maar langs, we vergaderen dan en dan. Vaak al voordat we goed en wel hebben uitgelegd wat we willen.

In krakkemikkige kantoortjes verspreid door de Bijlmer zitten we aan tafels. In het vergadercentrum De Kandelaar, waar maar liefst vijftien kerkgezelschappen huizen; op de eerste etage van een typisch flatgebouw, zoals je die kent van televisie-uitzendingen over de Bijlmerramp; of in een kale spreekkamer boven een apotheek. Tegenover ons de sleutelfiguren uit de Ghanese gemeenschap, vriendelijk en welwillend. Meestal moeten we een kwartier of langer wachten voordat onze afspraak verschijnt. We krijgen oploscappuccino, thee of water.

Dan steken we van wal: of de persoon voor ons het probleem van obesitas in de gemeenschap herkent. Wat de oorzaken zijn en of de gemeente er iets aan doet. Dat we graag in contact komen met Ghanese mensen. Of diegene misschien niet iemand kent?

Er volgt nooit een telefoonnummer van een ‘gewone Ghanees’. Wel nummers van andere sleutelfiguren, die ons misschien verder kunnen helpen. Of een uitnodiging voor een vergadering van een vereniging. Die vinden regelmatig plaats en gaan over alles wat ook maar enigszins met de Ghanese gemeenschap te maken heeft.

De vrouw weegt minstens 150 kilo

„Waarom hebben jullie geen flyers?”, vraagt maatschappelijk werkster Nancy stomverbaasd. Een paar middagen per week voert ze als vrijwilliger gesprekken met Ghanezen die het moeilijk hebben. „Jullie moeten flyers hebben, dan kan ik die uitdelen als mensen hier langskomen.” Ze zegt het alsof de grootste vanzelfsprekendheid is: dat journalisten flyers hebben als ze bronnen willen spreken. Ze raadt ons ook aan op de radio een oproep te doen.

Nancy vraagt wat het nut van ons artikel voor de gemeenschap dan precies is. Dat gebeurt steeds, dat mensen ons vragen naar het voordeel voor de Ghanezen. We zeggen dat we met ons artikel bewustzijn kunnen creëren in Nederland over de situatie van de Ghanese gemeenschap. Awareness, dat is alles wat we te bieden hebben. Geen vergoeding, geen voedingsadvies.

„Even testen”, zegt Nancy dan. „Roep die vrouw die in de wachtkamer zit maar even hierheen.” Ze houdt haar armen breed langs haar lichaam en spant haar lippen aan. Om aan te geven wie ze bedoelt: de dikste.

De vrouw weegt minstens 150 kilo. Een hele rits gouden oorbellen heeft ze in. Wanneer ze zich voortbeweegt, zucht ze diep. Elke stap kost moeite. Als ze ziet dat de plek tegenover het bureau van Nancy al bezet is, door drie blanke jongeren, blijft ze afwachtend staan.

Dan steekt Nancy van wal.

They want to know why you’re so fat. Why you’re so fat?

We krimpen ineen.>>

>> De vrouw geeft niet echt antwoord. Ze wil graag afvallen, zegt ze. En ze is eenzaam. Ze is bijna de enige Ghanees die in Amsterdam-Noord woont. Daarom verhuist ze binnenkort naar de Bijlmer.

Nancy vraagt of ze een keer met ons wil praten. Dat vindt de vrouw goed. „Thank you, thank you”, zegt ze als ze ons haar nummer op een briefje geeft.

We zijn journalisten, geen diëtisten, zeggen we. We kunnen haar niet helpen. De vrouw lacht en pakt onze hand. „God bless you.”

Als ze de kamer uit is, vragen we aan Nancy of de vrouw nu denkt dat we diëtisten zijn. „Nee hoor”, zegt Nancy. Even later vragen we het nog eens. „Ja, dat denkt ze.”

De volgende dag maken we flyers. Van de afbeeldingen van Ghanezen die we op Facebook hebben verzameld, weten we waar ze van houden: kleurige letters, theatrale teksten en God. Voor het eerst sinds onze basisschooltijd gebruiken we Word-Art. En Comic Sans. We brengen ze naar Nancy. Nog zeven weken tot de deadline.

Wij eten boterhammen met hagelslag

Ghanezen in Nederland koesteren de eigen cultuur. Deels omdat velen de taal niet spreken. Er is geen tijd om het te leren, zeggen ze. Dat gaat op aan werk en aan de kerk. Twee banen zijn geen uitzondering: van 7 uur ’s ochtends tot half 3 ’s middags en van half 6 tot 8 uur ’s avonds. In de schoonmaakbranche, de hotellerie of op Schiphol. Bovendien is de motivatie om Nederlands te leren niet heel groot. Met Engels, dat in Ghana op school wordt gedoceerd, komen ze al een heel eind. En de sociale kring is klein: collega’s komen ook uit Ghana, contact met Nederlanders is er nauwelijks.

Veel Ghanezen willen uiteindelijk weer terug. In Ghana schijnt de zon, daar is familie. Niet zelden is er nog een kind, achtergelaten toen vader of moeder op zoek ging naar een betere toekomst. „Als je als Ghanees niet terug wilt, wordt dat gezien als verraad”, zegt de Ghanese maatschappelijk zorgondernemer Phyllis Doll.

Een paar dagen nadat we de flyer maakten, werken we in opperste concentratie aan een powerpointpresentatie over broodjes kroket en boterhammen met hagelslag. Een van onze contacten, Antwiwaa, heeft ons aan de telefoon uitgenodigd voor een bijeenkomst voor Ghanezen met een handicap of blessure. De bijeenkomst is drie keer per week en duurt van elf uur ’s ochtends tot een uur of vier ’s middags. Er wordt met elkaar gegeten en er zijn presentaties over ‘van alles’.

Wij kunnen daar misschien wat mensen spreken, als ze willen, maar dan moeten we eerst een presentatie geven. We zeiden nog eens dat we journalisten zijn, geen diëtisten, dat we eigenlijk niks hadden om te presenteren, maar het onderwerp maakt niet uit, zei Antwiwaa. Als we maar een presentatie voorbereiden.

Dus zodoende.

De Febo kennen ze: ‘One euro!’

De tactiek is als volgt: we introduceren onszelf en zeggen dat we als journalisten een onderzoek doen naar eetgewoonten onder de Ghanese gemeenschap. Eerst vertellen we iets over Nederlandse eetgewoonten, dan vragen we naar die van hen. Over overgewicht kunnen we beter later pas beginnen, adviseert Antwiwaa ons.

De bijeenkomst is in een lichte ruimte op de Bijlmerdreef. Er staan tafels in een kring, daaromheen zitten zo’n vijftien mensen. Eén man in een rolstoel, een ander in een scootmobiel, de rest op stoelen. Voor de tafel hangt een groot televisiescherm. De lunch is nasi met pittige salade.

Antwiwaa vraagt ons hoe lang de presentatie ongeveer zal duren. Vijf à tien minuten, zeggen we. Ze kijkt afkeurend. „Dat is te kort.”

Vijftien minuten dan. We vertellen over Nederlandse voedingsgewoonten. Over ontbijt, dat vaak wordt overgeslagen, over taart bij verjaardagen op kantoor en over koffieverslaving. Het is doodstil. Een vrouw achterin knikt, de rest kijkt ons aan met een lege blik. Minstens twee mensen slapen.

We kunnen niet inschatten in hoeverre we de groep voor ons beledigen: misschien is het niveau te Sesamstraatachtig en weten deze mensen al lang wat appeltaart is. Omdat we niet weten wat we anders moeten doen, en omdat er toch één vrouw knikt alsof ze ons begrijpt, gaan we verder. Als we bij de lunch zijn aangekomen en vertellen over een broodje kroket dat je uit de muur kunt trekken bij de Febo, worden we voor het eerst onderbroken. „One euro”, klinkt het vanaf de achterste stoel.

Na de slides over de borrel en avondeten neemt Antwiwaa het over. In Twi. Er wordt nu zo druk geknikt dat we ons afvragen of ze er tot nu toe wel iets van begrepen hebben, en als één van onze namen valt, wordt er heel hard gelachen.

Dan ontstaat een discussie tussen twee vrouwen over de vraag of sportschool Fit for Free gratis is. Een man ligt onder de tafel van het lachen als één van ons zegt dat ze die avond gaat joggen in het park. Eén van de slapenden wordt wakker, een ander dommelt in. Als iemand zegt dat mensen in Afrika graag vaak en veel fufu eten, houdt ook een vrouw aan de andere kant van de tafel het niet meer.

De vragen die ons worden gesteld in het vragenrondje, variëren van: „Hoe laat ontbijt jij?” tot: „Maakt het uit hoeveel een brood weegt?”

We delen flyers uit en beloven twee dagen later terug te komen voor individuele gesprekken.

It’s the fufu. We love fufu

Twee keer per dag eten blijkt gebruikelijk onder Ghanezen. Sommigen eten zelfs maar één keer per dag. Calorierijk voedsel, grote porties. Rijst, fufu, cassave, bananen. „If I eat four times a day, I can’t move, lady”, zegt een vrouw die we spreken na de bijeenkomst.

It’s the fufu”, horen we meerdere malen, als we vragen of mensen het probleem van overgewicht herkennen. „We love fufu.” (We ontdekken een regel. Wil je een Ghanees aan het lachen maken, of het ijs breken: begin over fufu.)

De grote porties eten worden vaak aan stress gelinkt. Stress door de slechte mate van integratie. Brieven worden niet begrepen, met instanties kan niet worden gecommuniceerd. Er is druk vanuit Ghana om geld te verdienen. Die druk zorgt soms voor strijd binnen gezinnen: man en vrouw verdienen voor hun eigen familie. Van de Kamp: „The family in Ghana is hungry, the incassobureau calls. >> >> Ghanaians do more than they can.

Bijna niemand die we spreken doet aan sport. „Mensen denken: ik doe fysiek werk, zoals schoonmaken, dus ik hoef niet meer te sporten”, zegt Nourideen Alhassan, voorzitter van de Ghanese organisatie Recogin. Het is ook een kwestie van prestige, zegt de Ghanese maatschappelijk ondernemer Phyllis Doll. „Ze snappen je niet als je gaat fietsen of lopen als je een mooie auto hebt.”

De prestigecultuur werkt ook door op scholen. „Ouders kunnen geen 55 euro per jaar betalen voor schoolreisjes, maar komen wel met de duurste traktaties aan”, zegt een directeur van een basisschool in Zuidoost. „Er is een keer op eten van Kentucky Fried Chicken getrakteerd.”

Vinden Ghanezen dik zijn mooi?

Dat dachten we, toen we aan ons onderzoek begonnen. De eerste generatie vond dat inderdaad, omdat dik betekent dat je rijk bent. „Ghanezen houden van rondjes”, zegt Alhassan. Maar inmiddels geldt dat niet meer. Dun is de norm. „We like a Coca-Cola bottle”, zegt Veronica van de Kamp. Maar als je dan, per ongeluk, toch dik bent, kun je er maar beter mee pronken.

Ghanezen met overgewicht vinden hun gewicht vooral onhandig. „Het is oncomfortabel. Ik kan niet snel naar de metro lopen”, zegt de één. „Ik vind het niets, mensen kijken naar me op straat”, zegt de ander. Een vrouw zegt dat ze van haar dikke buik baalt, maar als we haar vragen wat ze van haar hoge bloeddruk vindt, zegt ze: „I don’t care.”

De opbrengst: zes telefoonnummers

Ghanezen komen zelden bij de huisarts voor overgewicht. Wel voor klachten die daaraan verwant zijn, zoals pijnlijke gewrichten. „Het wordt ze niet duidelijk dat ze moeten afvallen om die problemen te verhelpen”, zegt een huisarts wiens patiëntenbestand voor een kwart uit Ghanezen bestaat. Veel Ghanezen wachten lang met naar de dokter gaan. Ze spreken de taal niet en zijn onzeker over de kosten.

Bijna alle Ghanezen gaan naar de kerk. We proberen via die weg met hen in contact te komen. Kwasi Oduro, een Ghanese gezondheidsconsulent, brengt ons in contact met pastoor Daniël Bediako.

Bediako woont in het pastoorshuis van de kerk, een luxe ingericht appartement in de Bijlmer. Hij nodigt ons uit voor een gebedsbijeenkomst en de zondagse kerkdienst.

De gebedsbijeenkomst is vrijdagavond in een zaaltje in de buurt van de Kandelaar. In het kantoor van Bediako, tussen boeken van Foucault en Simone de Beauvoir, spreken we een Ghanese man en vrouw, terwijl in de kamer ernaast door zo’n twintig mensen gebeden wordt. De man en vrouw die we spreken zijn keurig op gewicht, maar kunnen wel vertellen over het probleem in de gemeenschap. „Some people drink Guinness and then they eat fufu – then you can’t walk anymore.”

Na een uur komt Bediako binnen: we hebben lang genoeg gepraat. Ze hebben al een gebed gemist, zegt hij. Aan het eind van de gebedsbijeenkomst krijgen we van zes mensen een telefoonnummer. Nog drie weken tot de deadline.

Er is onder Ghanezen weinig vertrouwen in de Nederlandse gezondheidszorg. Ze vinden Nederlandse dokters weinig empathisch, doordat er weinig tijd is. In Ghana is de arts de expert en wordt bij elk bezoek bloeddruk en hartslag gemeten, in Nederland komt de diagnose tot stand door dialoog. Dat geeft problemen, door de taalbarrière.

Vaak wordt gedacht dat medicijnen bijwerkingen hebben of worden voorgeschreven als test. Er is een sterk geloof in natuurlijke medicijnen uit Afrika. „The western mind can’t take that”, zegt pastoor Bediako. Er wordt soms gedacht dat die medicijnen alles oplossen. „If I take medicine from Ghana, my high blood pressure goes away”, zegt een vrouw.

Als we twee dagen na de gebedsbijeenkomst op weg zijn naar een kerkdienst in de Bijlmer, komen we Kwasi Oduro tegen. Hij zwaait. Na zeven weken voelt de Bijlmer steeds vertrouwder.

De kerkdienst wordt gehouden in een zielloos centrum waar meerdere kerkgezelschappen huizen. Bij de ingang kun je voor een euro koffie of thee kopen. Rijen witte plastic stoelen dienen als kerkbanken.

Zodra de dienst begint, verandert de treurige ruimte in heilige grond. Warme stemmen en ritme bevrijden de zaal van haar anonimiteit. Iedereen staat, danst, zingt, swingt. De vrouwen dragen kleurige kentekledij: de haren opgestoken, gezichten opgemaakt.

Ruim honderd ogen kijken

Bediako houdt zijn dienst met een lach. Hij wisselt ernst af met anekdotes, woorden over zonden met grapjes over de immigratiedienst en ongeloof. „If you don’t believe in God, I take you to Jesus-AMC.” Omdat wij er zitten, vertaalt hij in het Engels. Een paar keer richt hij zich tot ons: „I speak to you, Mirjam and friends.”

Aan het eind van de dienst, drie uur later, roept hij ons naar voren. Hij zegt dat we graag mensen zouden spreken. Wij mogen ook wat zeggen achter het spreekgestoelte. „Niet te lang”, zegt Bediako. Ruim honderd ogen kijken. Het is muisstil.

Het levert twee briefjes op met telefoonnummers.

Dan stapt Kwasi Oduro naar voren. Hij begint een verhaal in Twi. Wat hij zegt weten we niet, maar aan het eind van de dienst hebben we dertien briefjes met telefoonnummers.

Later horen we van een aanwezige wat hij zei: „Deze meisjes en jongen hadden jullie kinderen kunnen zijn. Help ze, zoals je wilt dat je kinderen geholpen worden.”

In totaal hebben we negentien telefoonnummers. De resultaten: de meesten hebben twee banen en zijn te zwaar, een derde heeft suikerziekte of een hoge bloeddruk. Een enkeling heeft daar een aantal jaar geleden iets aan gedaan, op advies van de dokter, en is sindsdien nu op gewicht. Meer mensen zijn weleens bij een diëtist geweest, maar gestopt „want het hielp niet”.

Niemand sport. De meesten eten twee keer per dag warm.

Ook heeft niemand een klassiek gezin. De meeste mensen zijn hier tien, twintig of zelfs dertig jaar geleden naartoe gekomen. Alleen. Soms is er een kind in Ghana achtergelaten, soms is hier een nieuw kind verwekt. Maar dat woont in alle gevallen al op zichzelf.

Van yam wordt je bloed schoon

Op één van de bijeenkomsten waar we komen, ontmoeten we mevrouw Badu. Zij nodigt ons uit om een keer fufu bij haar te komen eten, thuis in de Bijlmer. >>

>> Mevrouw Badu is 42 jaar, maar ziet er veel jonger uit, net als alle andere Ghanezen die we ontmoeten. Ze praat openhartig over het Afrikaanse eten dat ze aan het bereiden is. Van yam, een eetbare wortelknol, wordt je bloed schoon en ben je in één keer weer gezond, zegt ze. Van de pepers gebruikt ze er normaal drie, nu maar één. „You white people can’t eat too much peppers.” Van de palmcrème wordt in Afrika bier en gin gemaakt.

Speciaal voor ons heeft Badu het beste vlees ingeslagen dat er is. „Very expensive, but delicious”, zegt ze steeds. „Very good.” We zijn benieuwd, zeggen we.

Op haar fototoestel toont ze ons een foto van de delicatesse. Sascha, vegetarisch, maar bereid om dat voor één avond overboord te zetten, slaakt een kreetje. „I don’t know the name”, zegt Badu. „You also have it here in the woods. It’s very good.

Op de foto staat, voor zover we het kunnen thuisbrengen, een dood, geroosterd knaagdier. Te groot voor een cavia en te klein voor een marmot. Het lijkt op een doodgereden rat, maar als we dat zeggen, kijkt ze alsof we gek zijn: „We don’t eat rat.”

Wat dan wel?

It’s in a commercial”, zegt Badu. Even denken we opgelucht dat dit betekent dat het vlees ook gewoon bij Albert Heijn te verkrijgen is. Maar dan krijgt Joram een ingeving. We tikken het in op YouTube, en jawel: als er een knaagdier hoog de lucht in springt richting een Chaudfontaine-fles, knikt ze hevig van ja.

Bever. Het is bever.

Het in stukken gescheurde vlees wordt in de pan gevoegd bij een niet nader geïdentificeerd gedeelte van een varken, dat blanke mensen volgens Badu niet eten omdat het te hard is. Ondertussen vertelt ze over het bevervlees, dat ze koopt in een Ghanese winkel om de hoek. Het is nog duurder geworden sinds het niet meer via Schiphol geïmporteerd mag worden, zegt ze. Nu komt het per schip vanuit Ghana. Voor een dode bever betaal je 50 euro.

De redding van onze beleefdheid

Als de fufu klaar is ruikt het zo erg naar sterke kruiden dat onze ogen tranen en onze kelen droog zijn. Sascha schept een luchtje op de gang.

Joram constateert, enigszins opgelucht, dat er ook varken bij de beversaus zit. „I’m Jewish, so…” Het gaat vegetariër Sascha toch te ver. „Kip had ik nog wel getrokken”, fluistert ze. „Sorry.”

Dus rust de redding van onze beleefdheid op de schouders van Mirjam.

De bever smaakt droog en kruidig.

„Ghanezen willen wel afvallen, maar in een hoekje, alleen”, zegt Doris Vidda. Ze is voorzitter van Vice Versa, een organisatie voor Afrikaanse migranten. Vandaar dat de Health Battle Zuidoost, een initiatief van de gemeente Amsterdam, geen Ghanezen aantrok: het is een afvalrace van drie maanden waaraan twintig deelnemers met obesitas meedoen. „Ghanezen zullen zich nooit opgeven voor zoiets en in het openbaar laten zien dat ze dik zijn.”

Onze laatste kans op het vinden van een gezin, we hebben nog twee weken: radio. Het is ons in de afgelopen weken vaak geadviseerd. Het radiostationnetje, Akasanoma FM, zit in een groot kantoorgebouw vlakbij Bijlmer-Arena. Het is zaterdagmorgen, half 11. Ieder twintig euro op zak, want we moeten betalen voor dit radio-optreden. Zestig euro voor vijfenveertig minuten.

De presentator stelt goede vragen. Waar het stuk gepubliceerd zal worden, bijvoorbeeld. Voor het eerst in acht weken tijd hebben we het gevoel dat onze bedoelingen worden begrepen.

Twee keer wordt er gebeld met een vraag. Waarom we geen oplossing geven maar alleen het probleem aankaarten. In ons beste Engels geven we antwoord. De verslaggever noemt ons telefoonnummer.

De uitzending levert ons één telefoontje op. Onze tijd is op.

I have my scootmobiel

If your clothes are dirty, don’t wash them outside. Het is een veelgebruikt spreekwoord onder Ghanezen. Er was eens een Ghanese vrouw, die in de jaren tachtig aan een journalist van De Telegraaf vertelde over schijnhuwelijken. De vrouw was net nieuw in de Bijlmer. Het werd groot nieuws. Maar met de vrouw kwam het nooit meer goed in de gemeenschap.

Het is een zachte dag, de zon schijnt laag over de Bijlmerdreef. Voor de groep gehandicapte Ghanezen staat een blanke man Nederlandse les te geven. Op de powerpointpresentatie achter hem staan plaatjes en woorden. Supermarkt, boodschappen, varkensvlees, winkelwagentje.

Eerder stonden wij hier, voor een powerpoint met plaatjes van boerenkool, rookworst en Heineken. Nu zijn we terug voor individuele gesprekken. Eén van hen, een welbespraakte, oudere man in een scootmobiel, met chique hoed en stijlvolle bril, wil graag met ons praten.

Miss, ik wil je iets vertellen. Als je iets wilt weten over obesitas in de gemeenschap, zijn er drie dingen die ertoe doen. Het eerste is het weer. In Ghana is het altijd zonnig. Het tweede is het eten. In Ghana eten we zwaar, omdat je loopt en zweet. Ander voedsel dan je hier nodig hebt. En het derde is het systeem. Het systeem voor ons, zwarte mensen.

„Veel broeders en zusters zijn beschadigd en depressief. Als je in Ghana een probleem hebt met je elektriciteit ga je naar een kantoortje. Hier zie je niemand, je vindt alleen een brief in je brievenbus. Daar word je gestrest van. En dan krijg je nog een brief over je immigratiestatus. Daar word je zenuwachtig van.”

Op de achtergrond horen we de docent vragen of iemand weet wat Nederlanders zeggen bij het afscheid nemen.

„Doei!”, antwoordt een man in een rolstoel.

Dat is fout, zegt de docent. Tegen mensen die niet je vrienden zijn, zeg je ‘tot ziens’. ‘Doei’ is onbeleefd, net als ‘hallo’.

De man met de hoed vervolgt zijn verhaal.

„Ik ben hier. I have my immigration. I have my house. I have my scootmobiel. Ik kan naar de dokter. Het systeem werkt hier heel efficiënt. Er is geen corruptie. Maar er is een andere kant... en die geeft veel stress. De meerderheid van de mensen is hier niet legaal. Zij hebben geen comfortabel leven.

„Weet je: het ligt niet alleen aan het eten. Het eten is een bijdragende factor. Maar is belangrijk, omdat het voedsel herinnert aan thuis.”

De Nederlandse les is afgelopen. De docent pakt zijn spullen in. „Doeg”, horen we hem zeggen als hij de ruimte verlaat. <<