Column

Uit Amerika: pinchhitter

Ziekenhuisbal, schwalbe, stofzuiger: voetbal heeft zijn eigen taaltje. Wat betekenen die begrippen? Vandaag: de pinchhitter.

Afgelopen zondag, kort na Nederland-Mexico. Klaas-Jan Huntelaar heeft Oranje naar de kwartfinale geleid met een assist op Wesley Sneijder (1-1) en een benutte strafschop (2-1). Allemaal binnen het kwartier dat hij als invaller had om zijn stempel op de wedstrijd te drukken. Dus noemt NOS-presentator Tom Egbers hem liefkozend, met de euforie nog in zijn stem, „pinchhitter”.

Die term komt uit het honkbal, waar de coach in het slot van de wedstrijd een slagman vervangt voor de laatste punten. De pinchhitter is de speler die een specifieke kwaliteit heeft die vooral aan het eind gewenst is.

Ook een goede voetbalploeg kan niet zonder, omdat er altijd wedstrijden zullen zijn waarin succes vlak voor tijd nog niet in zicht is. Een coach wil die ene man op de bank kunnen aanwijzen: doe jij het dan maar.

De pinchhitter begint niet in de basis omdat er betere alternatieven zijn, of omdat hij niet de hele wedstrijd kan volmaken – maar hij heeft wel ervaring, spelinzicht of andere specifieke kwaliteiten die een duel vlak voor tijd nog kunnen omgooien. Bij de EK’s tussen 1998 en 2004 was Pierre van Hooijdonk onze vaste pinchhitter: we hadden betere spitsen (Bergkamp, Van Nistelrooij), maar vlak voor tijd kon de lange Van Hooij-donk als breekijzer fungeren.

Dé pinchhitter van deze ploeg is Huntelaar. Sommige spelers moeten in een wedstrijd groeien, maar hij kan zich dat niet veroorloven. De Volkskrant schreef vlak voor het duel tegen Mexico over hem: ‘Het is dus zaak scherp te blijven voor misschien tien minuten voetbal.’

En scherp, dat was-ie.