Twee eetlepels dictatuur per dag

Twee journalisten van tijdschrift The Economist schreven een bizar en fascinerend boek. Ze vragen zich af waarom politici er niet in slagen om de overheid terug te brengen tot redelijke proporties. Singapore is een voorbeeld voor het Westen.

Hoe kan de sterkste democratie van de wereld zo’n middelmatige man als leider aanstellen? Dat vroegen velen zich af tijdens de jaren van George W. Bush, de toevallige president die Amerika van de aanslagen van 11 september 2001 naar de oorlog in Irak stuntelde. Het antwoord wordt gezocht in een uitdagend nieuw boek dat zegt: kijk naar Singapore, kijk naar China, maar ook naar Noorwegen.

The Fourth Revolution. The Global Race to Reinvent the State door John Micklethwait and Adrian Wooldridge is een bizar en fascinerend boek. Brits erudiet en tegendraads, spits geschreven maar hopeloos onpraktisch in z’n uitwerking: twee maal daags een eetlepel dictatuur. De redding van onze democratie is het waard, stellen de auteurs.

Ieder boek van dit duo wekt nieuwsgierigheid. Micklethwait en Wooldridge waren Amerika-correspondenten van het befaamde weekblad The Economist. Tien jaar geleden schreven zij een briljant boek (The Right Nation: Why America is Different) over de uniek-Amerikaanse roeping voor de wereld – democratie voor iedereen, als het kan op christelijke grondslag.

Dit boek is in zekere zin een vervolg, al mist het de even onthullende als veelzeggende reportages in het diepe Westen van de Verenigde Staten, de oorsprong van de gelovig-conservatieve machtsgreep die Bush en zijn mentoren de illusie van onoverwinnelijkheid en alwijsheid bezorgden. De huidige opleving van het drama-Irak fungeert als herinnering aan die periode van onbegrensde arrogantie.

Hoewel, The Fourth Revolution begint met een verrassend inkijkje in het topkader-trainingsinstituut van China. Dit CELAP leert tienduizenden aanstaande top-Chinezen hoe je het beste leiding geeft. China keek naar het Westen om zijn economie te moderniseren. Maar voor het meest effectieve openbaar bestuur is de succesvolle stadstaat Singapore het voorbeeld.

Opgezwollen staat

Na dit bezoekje aan de Chinese kruising tussen de Harvard Business School en de Kennedy School of Government gaan Micklethwait en Wooldridge op volle snelheid de afgelopen vijfhonderd jaar geschiedenis door. Daarin kon het Westen zo dominant worden en blijven omdat het kans zag zichzelf steeds opnieuw uit te vinden. De drieënhalve revolutie waar de titel op doelt zijn de kantelmomenten van het Europese en later ook Amerikaanse samenlevings- en staatsmodel.

De eerste revolutie is die van Thomas Hobbes, de zeventiende-eeuwse filosoof die de staat schetste als belangengemeenschap en beschermer van de burger. John Stuart Mill, Thomas Paine en andere tijdgenoten uit de achttiende en negentiende eeuw maakten van de vrijheid van de individu een blijvende Westerse verworvenheid, zoals Webb, Beveridge en Keynes de staat opdroegen uitwassen van sociale ongelijkheid te repareren.

Deze sleutelelementen van het Westerse denken zorgden voor ongekende welvaart en bloei van kunsten en wetenschappen. Dat er onevenredig veel oorlog en verschrikking aan te pas kwam schilderen de auteurs minder uitvoerig. Zij marcheren met zevenmijlslaarzen naar hun centrale thema: de opgezwollen staat van nu die meer verantwoordelijkheden op zich heeft geladen dan zij bij benadering kan waarmaken. Politici hebben onvoldoende weerstand geboden aan de bijna onbeperkte verlangens van burgers naar tegemoetkomingen en zekerheden die veel meer geld kosten dan zij bereid zijn af te dragen.

Dat conflict tast de geloofwaardigheid van zich democratische noemende overheden zwaar aan, constateren Micklethwait en Wooldridge. De eerste is nu hoofdredacteur van The Economist, de tweede zijn management-redacteur. Hun blad is altijd voorstander van een slankere overheid en ook in dit boek verwachten zij daar veel heil van. Vandaar hun snijdende kritiek op politici, die ‘zich beijveren het raam te repareren zonder zich druk te maken over de toestand van het (instortende) gebouw’.

De politici die in hun ogen het best de noodzaak van een kleinere overheid op de agenda hebben gezet, Margaret Thatcher (premier van Groot-Brittannië 1979-1990) en Ronald Reagan (president van de VS 1980-’89) zijn er maar zeer ten dele in geslaagd de Leviathan van Hobbes, de allesoverheersende overheid, terug te brengen tot redelijke proporties.

Thatcher slaagde er bijvoorbeeld wel in het aantal stakingsdagen sterk te reduceren. Zij verlaagde het hoogste tarief van de inkomstenbelasting van 98 procent in 1979 naar 48 procent in 1988. Maar de uitgaven aan sociale zekerheid vergden toen zij begon 22,9 procent van het bruto binnenlands product; bij haar vertrek was dat percentage 22,2. Bij Reagan waren de successen al even gemengd. Daarom spreken deze auteurs van een half geslaagde revolutie.

Verwend Californië

Tijd voor een echte revolutie, de vierde in hun ordening der dingen. In hun vergelijkingsmateriaal gaan de schrijvers steeds in op de hun vertrouwde Angelsaksische voorbeelden, met een jubelende excursie tegen het eind naar de Scandinavische landen. Vooral Zweden zag kans de verzorgingsstaat slank en lenig te maken. De flexecurity van Denemarken verdient ook navolging.

Als afschrikwekkend geval beschrijven zij vrij uitvoerig hoe het ‘ikkende’ volk in Californië per referendum de macht greep en iedere mogelijkheid tot belastingheffing passend bij de gevestigde aanspraken afsneed. Die verwende combinatie wordt na jaren fiscale woestijn nu aangepakt door gouverneur Brown.

In Washington heerst nog de onwerkbare tegenstelling tussen Republikeinen die geen enkele belastingverhoging toestaan en de Democraten die geen enkele sociale voorziening willen indammen. De Verenigde Staten lijdt aan ‘demosclerosis’: ‘Washington int belastingen alsof zij een kleine overheid hebben en zij geven geld uit alsof het een land met een grote overheid is.’

De crisis van het Westerse democratische model gaat veel verder. M&W beschrijven hoe het IMF, de Wereldbank en het Amerikaanse minister van financiën in 1997 nog hooghartig de economieën van Zuid-Korea, Thailand en Indonesië redden, op hún economische voorwaarden en met het Westerse democratische model als sterk aanbevolen recept.

De 21ste eeuw heeft dat model snel in diskrediet gebracht. Amerika’s ‘War on Terror’, Irak, de kredietcrisis, de bijna-sluiting van de Amerikaanse overheid in 2013, de slepende bankencrisis in Europa, de groeiende anti-Europa stem in het Europees Parlement – het is in de ogen van Micklethwait en Wooldridge onderdeel van een ‘democratische recessie’ en een antidemocratische renaissance’. De vanzelfsprekende superioriteit van het Westen is voorbij.

En dan hoop je op een min of meer samenhangend voorstel. Zo gaan we het aanpakken. Maar dat doen de twee slimmeriken niet. Met een mengsel van brede kwaststreken en management-anekdotiek van Shanghai tot Oslo houden zij de lezer het ‘Aziatische alternatief’ voor. Singapore als model, bewonderd en gevolgd door uiteenlopende landen als Dubai, Rwanda en zelfs Rusland. En vooral China, waar een vijfde van de mensheid woont.

De oude democratieën riskeren vervetting en corruptie. In China dreigt het ook al. Wat rest: afslanken die overheid, revitaliseren van de op individuele vrijheid gebaseerde democratie. Nuttig, maar iets te mager als centrale remedie voor een zo ambitieus opgezet meesterwerk.