Signalen die suggereren dat er ruimte voor redelijkheid ontstaat

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen?

Deze week: een verdediging van Diederik Samsom.

Ofwel: wat als het populistische moment gewoon voorbij is?

Tekst Tom-Jan Meeus Illustratie Ruben L. Oppenheimer

In weken als deze, als de zon toch al schijnt, is het verleidelijk weg te dromen bij het idee dat het populisme over begint te waaien. Aan alles komt een eind. Twintig jaar terug had je de zekerheid dat het CDA altijd meeregeerde; kijk eens waar die partij nu staat. Dus waarom zouden we eeuwig vastzitten aan de minipolitieke exploitatie van boze burgers en angst voor het andere?

Je hebt genoeg signalen dat de redelijkheid terugkeert. Het vertrouwen in de Kamer groeit licht. De economie ook. Het kabinet heeft een relatief stabiele samenwerking met de constructieve oppositie; de geplande hervormingen zijn vrijwel allemaal door het parlement. Tachtig procent van de bevolking verwacht economische vooruitgang, aldus het SCP in mei. Vlak na het aantreden van Rutte II was dit 40 procent.

Dus de basis is gelegd. De weerzin tegen de overheid neemt af: een overzicht van minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) leerde laatst dat de agressie tegen politici en ambtenaren de afgelopen twee jaar is gehalveerd. Intussen werpt flankpartij SP zich op als bestuurderspartij, terwijl D66, middenpartij bij uitstek, winnaar van de laatste twee verkiezingen was.

En kon je vorig jaar rond deze tijd nog vaststellen dat het uitgangspunt van VVD en PvdA bij de start van Rutte II – elkaar iets gunnen – amper weerklank vond in de Kamer, nu zijn coalitie en constructieve oppositie elkaar voortdurend van alles aan het gunnen.

Pechtold (D66) een gasbatenfonds, Slob (ChristenUnie) een uitgediepte kabinetsvisie op de participatiesamenleving, Van der Staaij (SGP) extra geld voor defensie en justitie. Eigenbelang als gunfactor: soms is het net een gewone coalitie. Inclusief C5-politici die vooral andermans loyaliteit in twijfel trekken (en dan vooral die van Pechtold).

Tegelijk sluimert permanent de vrees voor een nieuwe kiezersopstand. Het gevolg is dat flankpartijen zelden nog tegenspraak krijgen. Alle grote woorden zijn toegestaan. Wijsheden uit het communicatiewezen bepalen toon en inhoud van het parlementaire debat, tegenspraak genereert aandacht voor andermans verhaal, dus benadruk je vooral de eigen boodschap. Zo leiden Kamerdebatten amper nog tot ideeënstrijd: parlementariërs doen nu primair aan zelfverklaring.

Zoals bekend is opleidingsniveau de beste indicatie voor stemgedrag: hoe lager iemands opleiding, hoe groter diens ontvankelijkheid voor flankpartijen. En zestig procent van alle middelbare scholieren volgt vmbo. Vandaar, je vergeet die dingen, de titel van het regeerakkoord in 2012: Bruggen slaan.

In een fraai stuk voor de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling, deze week, schetst conservatief Bart Jan Spruyt dat je niet te spastisch over dat populisme moet doen: weerstand tegen de moderniteit is van alle tijden.

„Het is zaak”, schrijft hij, „die onvrede te peilen, ook in zijn meest vulgaire vormen, en die niet kosmopolitisch weg te lachen of agressief te bejegenen, maar er politiek en sociaal een bedding voor te vinden.”

Nu excelleert vooral de PvdA in soms nuffige afkeer van voorkeuren van de eigen lageropgeleide kiezers. Zie de recente poging van illegaal verblijf een ‘overtreding’ te maken. Een symboolmaatregel, soort rijden door rood, die alleen door de terminologie – ‘strafbaarstelling illegaliteit’ – uitliep op een destructief gevecht tussen partijleider en -kader (niet te verwarren met de kiezer). Na een jaar sneuvelde de maatregel alsnog – waarna de aanstichter, Sander Terphuis, bij de Europese verkiezingen de electorale waarde van een wethouder uit Dwingeloo bleek te hebben.

Deze week had je weer zoiets: steun van de PvdA aan een rookverbod in kleine cafés. Bekijk de laatste RIVM-cijfers en het is in één oogopslag duidelijk: hoe lager opgeleid, hoe hoger de kans dat iemand nog rookt. En roken in kleine cafés verbieden is geen rookverbod, het is pesten: buurt- en dorpskroegjes klanten afpakken en rokers dwingen thuis te blijven. Dus alweer werd hier geen enkele brug naar lageropgeleiden geslagen: niet toevallig stemden VVD, SP, PVV, VNL (de nieuwe partij van oud-PVV’ers Bontes en Van Klaveren) en 50Plus tegen.

Ook dat valt op: waar de PvdA in incidentele gevallen de neus optrekt voor haar natuurlijke achterban, daar volgt de VVD vaak moeiteloos het pad van de flankpartijen. De rechtsliberalen beleefden in 2012 een doorbraak. Van haar toenmalige kiezers verdiende 35 procent anderhalf maal modaal of minder – in 2006 was dit nog twintig procent. En liefst de helft van de VVD-kiezers van 2012 had mbo of een lagere opleiding. Als volkspartij heeft de VVD nu een electoraat dat sterke gelijkenissen met dat van de PvdA vertoont.

Het verschil is alleen dat de VVD er zich naar gedraagt. Niemand zal staatssecretaris Teeven (VVD) ervan verdenken dat hij ook maar één asielzoeker te veel zou toelaten. Intussen geeft Opstelten (VVD) zijn inlichtingenanalist Dick Schoof alle ruimte de noodklok over Syriëgangers te luiden, hoewel de gepresenteerde feiten niet fundamenteel verschillen van die van een jaar geleden. En terwijl PvdA-leider Samsom amper afstand neemt van Rutte II, vertolkt Halbe Zijlstra het VVD-geluid steeds assertiever.

Tegelijk blijft het voor flankpartijen kinderlijk eenvoudig hun populistische puntjes te scoren. Zo had je deze week het bekende zakkenvullernieuws: antwoorden op SP-vragen over miljoenenuitgaven voor wachtgeld aan oud-politici. Een uiting van een groeiend probleem. Wie in de politiek stapt, neemt nu eenmaal een risico: oud-politici vinden steeds moeilijker werk.

Maar de site van De Telegraaf stroomde natuurlijk vol boze reacties. De SP mag nu besturen in grote steden, denk niet dat ze daarmee het talent voor exploitatie van jaloezie hebben verloren. Uitkeringen voor gewone mensen worden steeds lager en lastiger verkrijgbaar, zei Kamerlid Van Raak, dan wil de SP dat dezelfde regels voor werkloze politici gelden. De Tweede Kamer gaat hier niet in mee: vandaar telkens nieuwe Kamervragen, zei hij, met steeds dezelfde reacties.

Het punt is alleen dat zo’n SP-inperking van wachtgeld de legitimiteit van de Kamer verder zou verlagen. Dan krijg je alleen Kamerleden voor wie een overstap geen enkel risico meer is: mensen met een fors eigen vermogen, of ambtenaren met een terugkeerregeling. Niet echt een afspiegeling van de bevolking. Maar dat punt hoorde je van niemand.

Ook had je Wilders die, na de laatste waarschuwing van Dick Schoof, op GeenStijl zei dat „de bange, laffe mensen in de Trèveszaal (…) elke aanslag die er komt op hun geweten hebben”. Verder kreeg de PVV-leider een kwart pagina van de Volkskrant voor een oproep voor „een keihard actieplan om onze burgers te beschermen tegen islamitische terreur”.

Het zou nuttig zijn geweest als iemand hem had gevraagd waarom zijn partij in het laatste verkiezingsprogramma dan „een half miljard op veiligheid” bezuinigde, zoals het CPB in 2012 rapporteerde. Maar ook die tegenspraak bleef natuurlijk achterwege.

Dus dit is er aan de hand: aan de ene kant zie je basale ontwikkelingen die suggereren dat het populistische moment voorbij zal gaan. Tegelijk blijft de politiek zo angstig voor de boze burger dat populistische reflexen telkens terug blijven keren.

Er is één uitzondering: Diederik Samsom. Ook hij had, net als Zijlstra, Roemer, Pechtold, Wilders en, niet te vergeten, de nieuwe VNO-NCW-voorzitter Hans de Boer, de laatste maanden kansen genoeg om het eigen profiel op te vijzelen. Het Piketty-debat en het WRR-stuk over ongelijkheid boden volop ruimte voor ouderwetse sociaal-democratische retoriek over de kleine man, die altijd de klos is.

Dit bleef allemaal uit, en oud-voorzitter Ruude Koole verwoordde in deze krant wat meer PvdA’ers vinden: dat er lethargie heerst in de partij. Maar fascinerend genoeg ziet Samsom dit anders. Hij acht, beaamde hij vorige week in Vrij Nederland, het PvdA-belang ondergeschikt aan het project waarin Rutte II Nederland omploegt: „We zijn bezig met iets dat groter is dan wijzelf. En zeker dan ikzelf, want ik ben wel een héél klein onderdeeltje.”

Zo is de man met de grootste electorale nood, Diederik Samsom, ook de degene die de populistische verleiding het meest consequent weet te weerstaan.

Of het slim is – ik weet het niet. Partijleiders zijn er ook voor het geluid van hun partij, tenzij ze niet meer in die partij geloven. Aan de andere kant: het eigenbelang opzij zetten juist nu van alle kanten de druk toeneemt, is ook een blijk van zeldzame moed. Doe het maar eens na.