Seniorengeluk op wielen

De babyboomer in ruste zwerft in een peperduur mobiel hotel door Europa. De ijskast is nog groter dan thuis. tekst Bas van Putten fotografie Peter de Krom

De oudste wet van mannenland leert dat groot niet groot genoeg kan zijn, maar zo’n rijdend huis van zeven meter geeft mijn Bavariagevoel een knauw: achteruit instekend op de prachtige viersterrencamping De Norgerberg in Norg moet ik er een waakhengst bij halen om ho te roepen voor de bomen sneuvelen. Maar dan sta ik toch echt, een man met een camper. Misschien wel de jongste van Nederland. Campermensen zijn zestig en ouder, waaruit volgt dat wapenfeiten relatief zijn. Ik doe iets waar de camperpensionado de hand niet voor omdraait. Dit was bejaardenmoed.

Ik sta hier met de Kreos 6009 van Laika, een submerk van de Duitse Hymer-groep, marktleider in de branche. Zes meter negenennegentig lang, twee meter dertig breed, drie meter hoog, leeggewicht 3.115 kilo. Het campingsanitair kan ik missen, douche, toilet en spoelbak heb ik al aan boord. Koken kan ik op vier gaspitten, de konijnen op mijn erf kan ik zo in de oven schuiven en in de ijskast gaat meer bier dan in de mijne thuis.

Achterin heb ik twee bedden; op een uitklapbaar bed in het plafond van de cabine kan ik nog twee gasten kwijt. Tegen de hitte heb ik airco en voor de frisse lucht drie daklichten die evenals de voor- en zijruiten hermetisch kunnen worden afgesloten met in de sponningen verzonken jaloezieën. Tuinmeubilair, aardappels, fietsen, bier en scooters passen riant in de ‘garage’ achterin, een bagageruim waar je zou kunnen slapen; garderobe, beddengoed en keukengerei laten zich bergen in een leefruimte verslindende hoeveelheid kastjes en laden. Voorin heb ik een zithoek met een bank, een eet- annex borreltafel en de twee draaibare stoelen voor chauffeur en passagier.

Ik kijk door de enorme voorruit naar het vreedzame bijeenzijn van vakantievierders en besef dat ik van mijn kampeeraversie ben genezen. Ik vind het schitterend. Een rijdend vijfsterrenhuis voor mij alleen.

De tijd is voorbij dat je rondreed in een schonkige bestelbus met een verzaagde caravan op de rug en een bult op de bestuurderscabine voor het bovenbed. Die zogenaamde alkoofvariant of ‘bovenslaper’ werd verdrongen door de semi-integrale en volledig integrale campers, kampeerwagens waarbij cabine en kampeergedeelte bijna of volledig uit één stuk zijn. De Kreos 6009 is met zijn hoge voorruit en zijn lage neus net een touringbus. Bij dorpsgenoten die mij onderweg herkennen, zie ik monden openvallen.

Herkenbaar. Dat had ik ook toen ik hem ophaalde bij Ron Hazenberg in Oude Pekela, een van de grootste camperdealers van Nederland. „Dit is niet eens zo’n grote hoor”, relativeert Hazenberg. Een halve meter langer komt ook voor. Ruimte kun je nooit genoeg hebben, vindt hij. „Ik zeg altijd: koop nooit te klein.” Toch mag ik gewoon achter het stuur. Zo lang het beladen gewicht onder de 3.500 kilo blijft, en dat is bij de meeste campers het geval, mogen ze met personenwagenrijbewijs worden bereden. Onderweg zijn het net gewone auto’s. Ze komen normaal met het verkeer mee dankzij sterke dieselmotoren. Kor van Drogen, Hymer-dealer in Leeuwarden: „Sommige mensen zien er tegenop met een grote camper op pad te gaan, maar je zit wel heel ontspannen achter het stuur.” Zelfs vrouwen doen het, zegt hij, al moet hij echtgenotes soms een extra rijles geven voor ze durven.

Zodra de drempels zijn genomen wacht de camperganger een gespreid bed. „Europa is goed op campers ingericht”, weet Van Drogen: „Er zijn speciale TomToms voor campers met alle camperplekken van eenvoudig tot zeer luxe.” De camperaar zal niet verdwalen. „Je ziet ze weinig op de campings, maar des te meer op de hotspots. Aan de Moezel, een geliefd campergebied, moet je echt een plekje zoeken tegenwoordig, zo druk is het.” De internationale campergemeenschap staat er in rijen geparkeerd, gezellig.

In 2013 werden in Nederland iets meer dan 1.200 nieuwe campers verkocht; met de occasions erbij opgeteld vonden zo’n 4.500 tot 5.000 campers een nieuwe eigenaar. De kopers zijn vaak gepensioneerd, ex-caravanners en typische babyboomers. De kinderen zijn de deur uit, het huis is afbetaald, er blijft geld over. Dat zullen ze nodig hebben ook. Een nieuwe camper kost snel 65.000 euro, een ton of meer is zo uitgegeven.

Bij Hazenberg staan de courante modellen bij tientallen uitgestald: Laika’s, Rapido’s, Chaussons, een enkele Hymer. Ik tref er mijnheer Heerema uit Appingedam. Hij voldoet aan het profiel van de gemiddelde gebruiker: gepensioneerd en reislustig. De helft van het jaar trekt hij met zijn vrouw door Europa in een Rapido camper van 7,5 meter. „Ik ben met een kleintje begonnen, maar ik ben nogal groot, in deze kan ik me normaal bewegen.” Aan het formaat van zijn auto is hij gewend geraakt. „Het is in Spanje wat moeilijker met die smalle straatjes, maar over het algemeen kunnen we aardig uit de voeten.” Met het concept loopt hij weg, alleen de luxe van moderne campers vindt hij onzin. „De douche had voor mij niet gehoeven, ik douche net zo lief op een camping.”

Daar denken veel camperkopers anders over. „Alles moet erop zitten”, zegt Van Drogen. Hij toont me de Hymer B-klasse, Type 678 met gescheiden douche en toilet en twee eenpersoonsbedden, lengte 7,5 meter. Het topmodel van het merk, en het best verkochte. „Als men geld uitgeeft, en deze heeft een basisprijs van een ton, komen de laatste vijftigduizend voor accessoires er vaak ook nog bij. In elk geval een luifel en een satellietschotel, flatscreen tv, een grote koelkast. En dan heeft deze nog niet eens de geïntegreerde oven bovenop de koelkast.”

Traditioneel

Van een avontuurlijke levensstijl mag je de camperrijder niet betichten. Aan de interieurs is het goed te zien: veel hout en sfeervolle bekleding. Netjes, niet te wild. „De camperwereld is vrij traditioneel”, bevestigt Van Drogen, „een beetje deftig”. Maar niet te. Pianolak of al te wuft glanzende kastdeurtjes met fancy verchroomde handgrepen, „daar is men eigenlijk niet van gediend”. Modern design kom je mondjesmaat tegen.

Toch loopt er in die behoedzame camperwereld één dissident rond die alles anders doet. Maarten van Soest, opgeleid als filmmaker, bouwde geïnspireerd door zeiljachten en circuswagens in 2005 zijn eerste: een romantische houten keet met een retro-interieur, mahoniehouten wanden en de sfeer van een scheepskajuit. Het resultaat zette hij op een Mercedes-chassis en de eerste Tonke-camper, vernoemd naar zijn dochter, was geboren. Pipo de Clown, maar dan anders. Nadat hij nummer één aan cabaretier Hans Sibbel had verkocht, kwam er een tweede, en zo werd hij per ongeluk een bedrijf waar inmiddels drie mensen werken. Ontwerp, ontwikkeling en bouw vinden in eigen huis plaats.

Van Soest verbouwt Mercedes Sprinter-bestelwagens tot riante kampeerbussen, maar het interessantst zijn Tonkes afzetunits waarvan het kampeergedeelte als een huisje op poten op de grond kan worden neergezet. Zijn klanten komen uit binnen- en buitenland. In zijn werkplaats in Terheijden wordt gewerkt aan de eerste Tonke voor een Amerikaanse opdrachtgever. Het nieuwe ding is met zijn aluminium huid een kruising tussen een pipowagen en de Amerikaanse Airstream-caravans van de jaren vijftig. „Dat aluminium gebruiken we nu voor het eerst. Ik vind het zelf heel mooi.”

Een complete camper bouwen kost hem en zijn medewerkers duizend uur. Met zijn vraagprijzen – van 90.000 tot 170.000 euro, inclusief donor-Mercedes – zit hij aan de bovenkant van de markt. Dat werkt, blijkbaar. „De eerste jaren had ik hier alleen maar klanten die geen gewone camper wilden kopen. Maar nu begin ik ook klanten te krijgen die een grotere Duitse camper hebben gehad, maar zich nu toch weer willen onderscheiden.”

Schoonheid is altijd de eerste reden om voor een Tonke te kiezen, zegt hij, de tweede is kwaliteit. „Op zich zitten die Duitse campers goed in elkaar – alleen stoppen ze er goedkope Chinese accu’s en laadapparaatjes in die na de garantieperiode kapot gaan. Dat kan ik me niet veroorloven. Negentig procent van de artikelen uit de camper- en caravanbranche passen we niet toe, die gaan kapot. Die vinden wij in de carrosseriebouw en de jachtbouw. Dan heb je het over een chroom/messing klinkje dat 100 euro inkoop kost in plaats van zeven. Dan zeg ik: vooruit dan maar. Kijk, het is een heel simpel ding, je ziet het op elke vrachtwagen, maar het gaat eeuwig mee.”

En over die eeuwigheid gaan mijn dromen als ik in mijn Laika wegdommel, gehuld in dennenlucht die door het open raam mijn Hilton binnendringt, beschenen door de maan. Pipo is vrij.