Portet d’Aspet

Met excuses, maar mag het ook nog even over de Tour de France gaan? Hij lijkt al weken als een dood gewicht om de media te hangen, als fremdkörper in de voetbalwaanzin van het WK.

Uitgerekend in de wielernaties Nederland en België staat het hoofd niet naar de Tour. En ook niet naar een boek, een mooie film, een lekker etentje. Robben en Lukaku hebben het hele leven on hold gezet.

Deze zaterdagvond is ideaal voor een staatsgreep in de Lage Landen. Zelfs kanonschoten komen niet boven het gejoel in de huiskamer uit, na een doelpunt van Van Persie of Hazard. We zijn met zijn allen massafeest geworden.

Voetballers zijn slagschepen. Normale mensen bibberen de kolossen tegemoet. Wielrenners zijn iele jongens, met enkeltjes als lucifers en torso’s als spijkers. Wielrenners kunnen naast vrouwen staan, voetballers niet.

Hoe meeslepend en beloftevol het WK van Oranje in Brazilië ook is, succes van Übermenschen creëert zijn eigen monotonie. Ook daarom verlang ik hevig naar gekromde ruggen, onthaarde benen, een soigneur die als scheve dwerg over het onderstel van de renner hangt. Weg van perfectie en systemen, terug naar het epos van de eenling. Die alles weet van vallen en opstaan.

Ook de Tour is niet vrij van commercie, anders zou Leeds niet de stad zijn geweest voor Le Grand Départ. Leeds is het kerkhof van Nobby Stiles, en daar ben je je leven niet zeker.

Bij de start van deTour horen arcades, geen domme golfkarretjes. Een Engelse aristocraat op de fiets – onbestaanbaar. Fietsen schrijden niet.

De Tour lijdt aan exotische inteelt. Sepp Blatter sprak van interplanetair voetbal, de ASO droomt van interplanetair fietsen. De hang naar internationalisering degradeert het cyclisme langzamerhand tot een project. Het is een woord voor Louis van Gaal, niet voor Mart Smeets.

Ooit zal een Afrikaan in de gele trui de Champs-Élysées bestormen. Of een Chinees. Meer er is geen tweede Tourmalet, geen tweede Aubisque. Daar ligt de historie van de Tour de France, niet langs de grasvelden van Yorkshire.

Gelukkig voor Bauke Mollema is deze sportnatie nu zo verzadigd van geloof en liefde dat hij niet meer hoeft in te staan voor de trots van de natie. Bau kan zijn eigen Tour rijden, zonder druk, zonder hysterie van het thuisfront.

De benen, niets dan de benen.

De tijd dat Nederland rekening hield met een mogelijke Tourwinnaar is eeuwen geleden. De laatste geproclameerde legende is Thomas Dekker en die heeft zichzelf vroegtijdig getorpedeerd. Het zou al mooi zijn mocht een Nederlander een etappe winnen. Tom-Jelte Slagter heeft er de inhoud voor, Niki Terpstra de leepheid. Ik reken op Tom Dumoulin als verrassing.

Voor de wedergeboorte van Andy Schleck zou ik een feestje bouwen, maar ik vrees dat de Luxemburger het alleen nog op jacht en visvangst houdt. Ik ken niemand die zo tegen zijn zin leeft bij het bekruipen van een fiets als Andy Schleck. Kotsmisselijk zoekt hij de klikpedaal.

Het zou mooi zijn als Alberto Contador de hele bende nog eens in de vernieling rijdt. Inclusief Christopher Froome die nog steeds de uitstraling heeft van een boekhouder met een breiende vrouw en negen kinderen. Dat ‘verdachte’ puffertje past perfect bij hem. Sluipend in de grijze zone tussen verbod en hypocrisie.

Rooms fietsen.

De 16de rit gaat over de Portet d’Aspet. Niet de col des doods zoals verderop de Port de Balès, maar voor mij de meest gehate noodlotsberg.

De dodelijke smak van de waanzinnig mooie stilist Fabio Casartelli blijft een open wond.