‘Je hebt héél uitgesproken opvattingen’

Sport. Politiek. Emancipatie. Alles komt langs in een zomeravondgesprek tussen voetbaltrainer Gertjan Verbeek en hoogleraar leiderschap Janka Stoker. „Stem jij niet?”, vraagt zij. „Nooit”, zegt hij. „Het leidt tot niets.”

Door Tom Kreling en Hugo Logtenberg, foto’s Andreas Terlaak

Het is tien voor vijf als Gertjan Verbeek in een zwarte Opel Zafira het terrein van Landgoed Duin en Kruidberg in het Noord-Hollandse Santpoort oprijdt. De voetbalcoach die bekend staat om zijn stiptheid – spelers die te laat komen, moeten van hem een file eerder nemen – is twintig minuten later dan de afgesproken tijd. Verbeek stapt uit en zegt: „Ik was op tijd, hoor.” Hij bedoelt dat het niet aan hem ligt. „De navigatie stuurde me twee keer de verkeerde kant op.”

Niet dat het uitmaakt. De zon schijnt en Verbeeks tafelgenoot, hoogleraar leiderschap Janka Stoker, is nog onderweg vanuit Groningen. Zelf zit Verbeek zonder werk nadat hij in april werd ontslagen bij het Duitse 1.FC Nürnberg. Daardoor heeft hij nu alle tijd om te klussen. „De enige momenten dat ik niet met voetbal bezig ben”, vertelt hij bij een cappuccino. Hij verbouwde al twee keer eigenhandig een boerderij. Recent kocht hij een stuk grond in het Overijsselse Dalfsen. Daar bouwt hij nu een blokhut, geheel naar eigen ontwerp.

Of hij nog een architect naar zijn tekeningen heeft laat kijken? Verbeek kijkt verbaasd. „Waarom? Die wil zijn eigen ideeën doorvoeren. Ik weet echt wel hoe je een blokhut bouwt.” De nokbalk van 900 kilo ligt er al op, maar de bouw ligt sinds een paar weken stil. Tijdens het klussen viel hij van een ladder en brak twee ribben. De eerste weken na het ongeluk sliep hij zittend. De minste inspanning deed al pijn. Nu gaat het beter, maar klussen lukt even niet. „Helaas. Ik heb energie zat.”

Hij kijkt veel naar het wereldkampioenschap voetbal, waar een handjevol spelers rondloopt dat hij nog heeft getraind. Hij vertelt over Klaas-Jan Huntelaar, met wie hij nog steeds goed contact heeft. Over hoe Huntelaar investeerde in zichzelf om beter te worden en als opkomende ster nuchter bleef in een wereld van snel geld en dubieuze makelaars. „Toen ik bij Heerenveen werkte, kwam hij een keer naar me toe. ‘Trainer’, zei hij . ‘Ik kan naar Ajax.’ Dus ik zeg tegen hem: ‘Ben je in alles de beste bij Heerenveen?’ Nee, was zijn antwoord. ‘Dan kun je hier nog genoeg leren’, zei ik tegen hem. Een half jaar later kwam hij opnieuw. Ajax had weer interesse. Dus ik vroeg: ‘Ben je in alles de beste?’ Ja, zei hij. ‘Mooi’, zei ik, ‘dan kun je gaan’.”

Dan arriveert Stoker. Verbeek gaat staan en geeft haar een hand. Ze hebben elkaar nog nooit ontmoet. Zij heeft wel eens iets over hem gelezen en hem een paar keer op televisie gezien. Verbeek weet niks van haar. Hij is benieuwd naar haar kijk op leiderschap. Misschien kan hij er nog iets van leren voor als hij weer een club traint. Nieuwe inzichten, andere ideeën, daar is hij altijd naar op zoek. Daarom verdiept hij zich in andere sporten, gaat op bezoek bij collega-trainers of volgt cursussen aan Nyenrode Business Universiteit.

Voor Stoker is dit een kans om iets te leren over de bestuurscultuur in het voetbal. Ze onderzocht grote bedrijven, keek binnen bij politieke partijen en analyseerde politieke leiders en topbestuurders. Komend jaar start ze een leiderschapsinstituut aan de universiteit. Maar nooit kwam ze in aanraking met voetbal. Voor Stoker is Verbeek en de manier waarop clubs worden aangestuurd studiemateriaal. Zo zal ze zich in het gesprek ook vaak opstellen. Als wetenschapper, die bekijkt en analyseert. Dat is de manier waarop ze in het leven staat, zegt ze. „Er zijn mensen die doen en er zijn mensen die graag ergens naar kijken. Ik kijk graag.”

Ze luistert aandachtig naar Verbeek die vertelt over de verschillende voetbalclubs waar hij werkte. Maar al snel gaat ze duiden. Bijvoorbeeld als Verbeek vertelt hoe de organisatie bij voetbalclub Heerenveen wegviel toen voorzitter Riemer van der Velde na meer dan twintig jaar afscheid nam.

Verbeek: „Heerenveen is een club geworden als andere, met alle intriges die daar bij horen.”

Stoker: „In situaties van onzekerheid kijken mensen eerder naar hun eigen belang.”

Als Verbeek vertelt dat trainers steeds sneller ontslagen worden, trekt Stoker de parallel met het bedrijfsleven. „Dat is het moderne kortetermijndenken. Als het een kwartaal niet goed gaat met een bedrijf, beginnen de kranten te schrijven. En dan moet na een half jaar de leider weg. We willen allemaal heel snel prestaties zien terwijl we weten dat dat vaak helemaal niet kan.”

Stoker wil van hem weten hoe een voetbalclub is georganiseerd. Wie is eigenlijk echt de baas? In feite de technisch directeur, zegt Verbeek. „Die is verantwoordelijk voor het aan- en verkoopbeleid van spelers.”

Stoker, verbaasd: „Daar heb jij geen invloed op?”

Verbeek: „Dat probeer je wel. Maar dan zeggen ze: de trainer is voor de korte termijn, de technisch directeur voor de lange termijn.”

Verbeek vertelt hoe, in het derde jaar dat hij bij AZ werkte, belangrijke spelers verdwenen en hij er jonge spelers voor terugkreeg. „Dat was echt niet van dezelfde kwaliteit als die van de spelers die weggingen. Dus ik zeg: ‘Jongens, ons doel en de middelen zijn niet meer op elkaar afgestemd. Jullie willen dat ik bij de eerste vier eindig met dit elftal. Dat kan niet.’ Er zaten een paar spelers bij die ik gewoon nog niet goed genoeg vond.” Maar de tweekoppige directie van AZ met technisch directeur Earnest Stewart was het niet met Verbeek eens.

Verbeek: „Stewart zei dat die jongens veel van me konden leren. Maar dat heeft tijd nodig.”

Stoker: „Dus de technisch directeur wint?”

Verbeek: „Stewart legde verantwoording af aan de raad van commissarissen, die hem had aangesteld. Diezelfde mensen keurden de aankoop van nieuwe spelers door Stewart goed. Maar ik moest er mee werken.”

Stoker: „Jij hoeft nooit naar de raad van commissarissen?”

Verbeek: „Nee. Ze laten zich volledig leiden door de technisch-directeur.”

Stoker lacht. „Je kan je volgende baan beter uitzoeken op de kwaliteit van een technisch-directeur dan op die van het team.” Dan weer serieus: „Wie worden er eigenlijk technisch-directeur? Zijn dat ook allemaal oud-voetballers?”

Verbeek: „Meestal wel. En zonder diploma, hè!”

Stoker schudt haar hoofd. „On-ge-lo-fe-lijk”, zegt ze. „Technisch-directeur worden zonder diploma. Alleen omdat je een goede voetballer was. Je wordt in een bedrijf echt geen directeur omdat je een goede verkoper was. Krijgt een technisch directeur een assessment?”

Verbeek: „Nee. Maar hij moet mij wel beoordelen.”

Stoker: „Daar zit het probleem in de voetballerij. Het is de organisatie. We zijn er uit!”

Af en toe valt Stoker uit haar rol als wetenschapper. De eerste keer gebeurt dat als Verbeek begint over vrouwenvoetbal.

Hij stelt dat vrouwelijke voetballers zich volledig identificeren met mannelijke. Fout, volgens hem. „Neem die kleren waarin ze voetballen, precies hetzelfde als bij de mannen. Ik zou het veel vrouwelijker maken dan dat het nu is. Dat zie je bij de hockeysters ook.”

Stoker fronst. „Waarom moet het vrouwenvoetbal vrouwelijker worden?”

Verbeek: „Als het vrouwenvoetbal er ook vrouwelijk uitziet, helpt dat om het leuk te vinden. Dan associeer ik het niet met mannen. Bij tennis is dat ook gebeurd.”

Stoker – zelf een fanatiek basketballer – schudt haar hoofd. „Zullen we het even over vrouwenbasketbal in Amerika hebben? Dat is echt heel groot en die hebben geen strakke pakjes aan.”

Verbeek: „Maar Amerika is ook heel groot. Weet je hoeveel mensen daar wonen?”

Stoker: „Ja, het wordt allemaal uitgezonden op televisie en er zit allemaal commercie bij.”

Verbeek onverstoorbaar: „Omdat het groot is.”

Nu lijkt Stoker echt geïrriteerd. „Jouw stelling is: zo’n sport als vrouwenvoetbal kan alleen maar groot worden als vrouwen zich kleden als vrouwen.”

Verbeek: „Nee. Mijn stelling is dat vrouwen zich niet moeten willen identificeren met mannen en dat doen ze bij voetbal wel. Bij hockey en tennis niet.”

Stoker onderbreekt hem. „En daarom zijn ze succesvoller?”

Verbeek: „Nee, maar ze worden eerder geaccepteerd. Bij vrouwenhockey is nooit discussie geweest over het feit dat het spel trager is dan bij mannen.”

Stoker, nog een tikje feller: „Nee, maar voor deze outfits was de discussie er ook niet. Toen waren ze namelijk ook al beter.”

Ook daar heeft Verbeek een antwoord op. „Nergens hockeyen zoveel vrouwen als in Nederland en er liggen hier meer kunstgrasvelden dan in de rest van de wereld bij elkaar. Dus zou het ook een schande zijn als ze geen wereldkampioen werden.”

Voor Stoker is het nu genoeg. „Ik vind het een heel aparte redenering, waar ik het niet mee eens ben. Omdat het op die manier niet meer over de kwaliteit van de vrouwen gaat.”

Verbeek: „Kwalitatief zijn vrouwensporten sowieso niet te vergelijken met die van mannen. De Wimbledon-finale voor vrouwen bijvoorbeeld moet je nooit na de mannen doen. Dan ga je onbewust vergelijken en is het alsof je naar slow-motion kijkt.”

Stoker leunt achterover terwijl Verbeek zijn betoog afmaakt. „Vrouwen moeten zich onderscheiden. Dat is met hockey zo, met voetbal, met tennis. Als vrouwen zich niet onderscheiden, worden ze vergeleken met mannen.”

Stoker laat het onderwerp rusten. Voorlopig. Later op de avond komt het nog een keer terug.

Ze wandelen met de fotograaf door de tuin van het landgoed. Hij op Nikes met losse veters, zij op paarse pumps.

Daarna nemen ze in het restaurant plaats aan een ronde tafel met uitzicht op de tuin. Verbeek bestudeert het plafond. „Daar kijk ik altijd als eerste naar. Daar zie je de details.” Stoker trekt ondertussen haar jasje recht.

Bij het voorgerecht komen de teleurstellingen in hun carrières ter sprake. Verbeek doet daar niet moeilijk over: zijn gedwongen vertrek bij AZ in september 2013. Stoker weet er geen te noemen. Haar publicaties met hoogleraar Diederik Stapel, uit zijn functie gezet na grootschalige fraude met onderzoeksdata?

Stoker: „Oh, gaan we het daar over hebben?” Ze is even stil.

Hoe het begon? Ze weet nog dat ze werd gebeld met het nieuws over de fraude door een collega aan de universiteit Tilburg, de thuisbasis van Stapel. „Ik kon het niet geloven.” Met Stapel zelf krijgt ze dan geen contact meer. Later mailen ze met elkaar. Een bevredigend antwoord op de vraag waarom hij het deed, krijgt ze niet. „Heel teleurstellend. Ik vertrouwde hem.” Waar dat op was gebaseerd? „Het is een heel creatieve, slimme man. Als je kijkt naar het werk dat hij heeft gedaan, dat is geen lamme onzin. Helemaal niet. Hij heeft het alleen op een aantal punten te mooi gemaakt.”

Vervelend, noemt ze de affaire. Dat is het? „Afschuwelijk zelfs”. Ze heeft er naar eigen zeggen slecht van geslapen. Maar bovenal wil ze benadrukken dat haar geen blaam treft. „Nogmaals, ik heb nooit met zijn data gewerkt. Mijn publicaties met hem zijn gelukkig onderzocht door een onafhankelijke commissie. Niets mee aan de hand.”

Verbeek wil er nog wel iets over zeggen. Om topprestaties te kunnen leveren, moet je mensen kunnen vertrouwen. „Een jaar geleden moest ik mijn trainerslicentie verlengen. Daar heb je studiepunten voor nodig. Die zijn eenvoudig te halen door wat vergaderingen van de belangenvereniging Coaches Betaald Voetbal bij te wonen. Daar komt een spreker, je tekent voor je aanwezigheid en klaar ben je. Maar ik ben geen lid van die club meer na een conflict om niks. Dan heb je dus een probleem, want dan gaan ongediplomeerde types bepalen of de cursussen die ik in Engeland en Duitsland op eigen kosten heb gevolgd wel voldoen. Dat slaat toch nergens op?”

Stoker: „Je bent een bedreiging voor ze. Je legt hun incompetentie bloot.”

Verbeek, onverstoorbaar: „Mentale begeleiding van spelers is het onderdeel bij voetbal waarin de meeste progressie is te boeken. Neem visualisering, waar in andere sporten op wordt getraind. Erben Wennemars, de schaatser die twee keer brons won op de Olympische Spelen, vertelde eens hoe hij zich voorbereidde. Hij reed als training zijn race in zijn hoofd. Telkens weer. Hij deed zijn ogen dicht en begon na een fictief startschot te rijden. Bij elke bocht wist hij exact hoeveel seconden hij onderweg was. Hij had het helemaal geprogrammeerd. Indrukwekkend. Dat kun je bij voetbal dus doen met een penalty, zei ik later tegen een collega. Zijn reactie: ‘Ben je gek geworden?’ Daar kijk ik dan van op. Penalties zijn te trainen. Het is het inslijten van patronen. Huntelaar is daar hét voorbeeld van. Die traint heel veel op penalties. En toch zijn er trainers die zeggen dat er niet op te trainen is. Verbazingwekkend dat ze daar niet voor openstaan.”

Na een slok wijn: „Dat is net als journalisten die niet zijn geïnteresseerd in feiten. Dan schrijft er een dat mijn spelers vermoeid zijn. Uit alle statistieken die ik hem geef, blijkt het tegendeel. En toch schrijft hij het weer op. Dan ben ik er klaar mee.”

Zoals vaker in het gesprek dringt zich de vraag op met wat voor leider Stoker nu aan tafel zit. Ze lacht. „Gertjan heeft héél uitgesproken opvattingen over hoe hij vindt dat er gewerkt moet worden om succesvol te zijn. Daarmee komt hij soms in de problemen maar nooit met zichzelf. Dat is veel waard. Toch is de vraag interessant: zijn coaches die flexibeler zijn succesvoller dan jij?”

Verbeek: „Nou, Van Gaal is op dit moment de meest succesvolle Nederlandse coach.”

Stoker: „Zijn er dan eigenschappen van succesvolle coaches waar jij lering uit kunt trekken?”

Verbeek: „Ik dacht dat jij dat zou weten, als wetenschapper.”

In het gezin Stoker was niet de vraag of de kinderen gingen studeren maar wat, vertelt ze. Na haar studie psychologie in Groningen promoveerde ze aan de universiteit Twente op een onderzoek naar leiderschap. Na een korte periode „in het veld” als consultant wordt ze op haar drieëndertigste hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen, net als haar moeder. „Mijn moeder is een echte feministe. Ze nam mij mee naar vrouwendagen, waar ze een standje had met allerlei spullen. En ze was actief in allerlei vrouwengroepjes.” Stoker stemt net als haar moeder PvdA. „Altijd op een vrouw. Kunnen we dat ook meteen even noteren? Hupsakee.”

Verbeek zegt niets. Hij glimlacht. Stemmen doet hij niet. Nooit.

Stoker: „Stem jij niet?! Waarom stem jij niet?”

Verbeek: „Omdat ik stemmen het meest ondemocratische vind dat er bestaat. Het leidt tot niets. Ik vind dat een regering op lange termijn productief moet zijn, niet op korte termijn.”

Stoker: „Kies een partij die dat naar jouw idee het beste doet.”

Verbeek: „Welke dan? Ik heb jarenlang een grijs kenteken gereden. Iedere keer kwam er een nieuwe maatregel: de ramen moesten geblindeerd, het dakje bovenop de auto moest minimaal een kubieke meter zijn. Om gek van te worden.”

Stoker zucht: „Als iedereen nou niet zou stemmen?”

Verbeek: „Dat zou enorm helpen.”

Stoker nu licht verbijsterd: „Wie regeert er dan?”

Verbeek: „Waarom roepen we niet mensen bij elkaar die heel kundig zijn op een bepaald gebied, of het nou op defensie is of op financiën? En die beoordelen we dan: doen ze het goed, dan mogen ze blijven zitten. Doen ze het niet goed, dan ontslaan we ze.”

Stoker: „Gertjan, wie bepaalt er wie kundig is? En wie bepaalt of ze het goed doen?” Nog voor Verbeek kan antwoorden: „Stem op een partij wiens idealen je deelt.”

Verbeek: „Een partij vindt iets, komt aan de macht en draait zijn kont. Daar kan ik niet tegen.”

Stoker: „Dat heet compromissen sluiten.”

Verbeek: „Nee, jezelf verloochenen. Je kunt veel van Wilders zeggen, maar dat doet hij niet. Zijn stemmers krijgen altijd hetzelfde geluid.”

Stoker nu met wanhopige blik: „Stem je op Wilders?”

Verbeek: „Nee. Die man spreekt mij totaal niet aan. Alleen al de manier waarop hij met zijn collega’s in de politiek omgaat.” Stoker: „Ben je wel eens in de verleiding geweest toch te gaan stemmen?”

Verbeek: „Nooit.”

Stoker: „Waarin ben je zo teleurgesteld op je zeventiende dat je nooit hebt gestemd?” Verbeek: „Mijn vooroordeel dat het systeem niet werkt is sindsdien altijd bevestigd.” Stoker: „Ik wil nog wel een glaasje wijn.”

De ober licht telkens keurig de volgende gang van het diner toe. Verbeek en Stoker geloven het wel. Ze zijn druk in gesprek. Verbeek lacht als Stoker nog een keer de gelijkwaardigheid van man en vrouw benadrukt. „Wij vierden op de universiteit het tachtigste lustrum met aandacht voor Aletta Jacobs die streed voor het vrouwenkiesrecht. Dat is nog niet zo heel lang geleden. Als je dan kijkt naar andere universiteiten in de wereld waar wij mee samenwerken, dan valt je pas op dat het vaak helemaal niet normaal is dat vrouwen naar universiteiten gaan. Jij vindt het vanzelfsprekend, ik vind het vanzelfsprekend, maar het is niet vanzelfsprekend.”

Verbeek: „Ik ben geen vrouwenhater hoor, maar als ik directeur zou zijn van een voetbalclub, zou ik nooit een vrouw aannemen.”

Stoker legt haar bestek neer. „Hoezo niet?”

Verbeek: „Op een gegeven moment worden die vrouwen zwanger. Dat is een puinhoop in je organisatie. Eerst zijn ze er vier maanden uit en dan willen ze parttime werken.”

Stoker: „Luister, je kan toch gewoon vier dagen in de week werken?”

Verbeek: „Dat kan dus niet. Dat is precies de denkwijze van een vrouw.”

Stoker: „Leg me uit waarom het niet kan.”

Verbeek: „Je werkt met een team waarin je eigenlijk altijd beschikbaar moet zijn want door Europese wedstrijden is het schema zeer onregelmatig. Daar past een mama- of een papadag gewoon niet in.”

Stoker: „Heb je wel eens van doen gehad met een vrouwelijke fysiotherapeut?”

Verbeek: „Zeker. Een lesbische. Ze was heel goed. Maar ook die was opeens zwanger.”

Stoker: „Als een vrouw geen kinderen heeft, kan het dan wel?

Verbeek: „Uiteindelijk willen ze altijd kinderen.”

Stoker: „Dat is niet waar.”

Verbeek: „De meeste wel.”

Ze weten dat ze het niet eens zullen worden. Daarvoor verschillen ze te veel. Toch hebben ze zichtbaar plezier in hun ontmoeting. Stoker buigt zich naar Verbeek toe. „Wat stemden jouw ouders eigenlijk?”

Verbeek: „Mijn vader PvdA. Mijn moeder zal hem daarin wel zijn gevolgd.”

Het is de aanloop voor Verbeek om over zijn familie te vertellen. „Mijn vader was vertegenwoordiger in sanitair. Een autoritaire man. Ik denk dat hij een competitie heeft gevoeld met mij, een bepaalde jaloezie had. Mijn moeder moest haar aandacht verdelen over hem en de rest van het gezin. Ik weet nog hoe hij, ik was 14 jaar, tegen me zei: ‘Je bent dan nu wel op boksen gegaan, maar je moet niet denken dat je sneller en sterker bent dan ik.’ Ik zei: ‘Joh, jij kan nog geen vijftien squats maken.’ ‘Oh nee?’, zei hij? Ik zei: ‘Nee, dat kun jij niet meer.’ Toen was hij een jaar of 45. De volgende morgen liep hij wat moeilijk. Dus ik zeg tegen mijn moeder: ‘Wat is er met hem aan de hand?’ Zegt mijn moeder: ‘Hij heeft gisteravond vijftien squats gedaan voor hij naar bed ging. Vanmorgen kon hij zijn bed niet meer uitkomen van de spierpijn.’ Dat vergeet ik nooit meer.”

Stoker luistert aandachtig. Verbeek neemt een hap van zijn gebakken zeebaars met geschaafde truffel. Dan: „Ik ben zelf ook heel competitief ingesteld. Dat moet ik er wel bij zeggen.” Hij lacht.

Na een korte stilte: „Ik herinner me de keren dat hij thuiskwam en wij met z’n vieren tv zaten te kijken. Dan liep hij naar het toestel, drukte die zonder iets te zeggen op een andere zender en ging zitten. Niemand durfde er iets van te zeggen, ook mijn moeder niet. Toen ik puber was, vroeg ik hem: ‘Hoezo?’ Dan zei hij: ‘Ik breng hier de centen binnen. Het is mijn tv.’ Dan ging ik de strijd met hem aan: ‘Oh, is dat jouw tv?’ Met school ging het net zo. Dan had ik een zeven gehaald, wat voor mij een heel goed cijfer was, en dan zei hij: ‘Er zijn ook kinderen in je klas die een hoger cijfers hebben gehaald. Dus zo goed is dat niet.’ Op mijn zeventiende wilde ik dat niet meer en ben ik het huis uit gegaan.”

Stoker kijkt Verbeek ernstig aan. „En je moeder?”, vraagt ze.

Verbeek: „Die is helaas veel te jong overleden. Ze was 60, ik was 32.”

Stoker: „Ze heeft je wel zien voetballen.”

Verbeek: „Dat wel.” Hij drinkt wat van zijn witte wijn. „Toen mijn moeder op haar sterfbed lag, zei ze tegen me: ‘Je bent de oudste, maar van jou weet ik eigenlijk het minst’.”

Een treurig moment, toch?

Verbeek: „Ik denk voor mijn moeder wel, ja.” Voor hemzelf niet, legt hij uit. „Ik heb zelf gekozen het huis te verlaten en niet terug te komen. Mijn moeder vond denk ik dat ze in dat opzicht had gefaald. Dat vind ik niet. Al was ik het heel vaak niet met haar eens dat ze koos voor de lieve vrede. Maar goed, ik ontvluchtte de strijd met mijn vader door hele dagen te sporten. Zij zat met hem opgescheept.”

Wat had ze moeten doen? „Weggaan bij mijn vader. In het algemeen vind ik: op het moment dat dingen zijn uitgewerkt en er geen empathie meer is voor elkaar, dan moet je ermee stoppen. Ik denk dat scheiden veel minder schadelijk is voor kinderen. Maar in die tijd was bijna niemand gescheiden.” Stoker: „En hoe moest die vrouw zich redden? Wat kon ze anders?”

De emotie bij Stoker lijkt af te steken bij de rationaliteit van Verbeek. Hij: „Ik heb er wel bepaalde gevoelens bij maar die verwijt ik mijn moeder niet. Of iemand anders. Die zijn aan mij. Mensen denken vaak dat er eerst emotie is en dat je daar op reageert. Maar het is andersom. Er is een gebeurtenis, dat levert een gedachte op, dat veroorzaakt een bepaald gevoel en dát leidt tot bepaald gedrag. Daar geloof ik in. Heel veel mensen draaien het om: ik heb eerst het gevoel en dan komt het gedrag. Dat is niet zo. Dat noemen ze dan intuïtie, maar intuïtie krijg je alleen maar door ervaring.”

Stoker tevreden: „Daar ben ik het nou helemaal mee eens.” Dan: „We zijn denk ik doorgaans allebei heel erg rationeel.” Verbeek knikt.

Het loopt tegen middernacht. De sommelier serveert een nieuwe fles Domaine Faillenc Saint Marie, een Franse rode wijn uit 2012. Nadat de glazen weer zijn gevuld, gaat het gesprek verder over het gezin Verbeek. Na het overlijden van zijn moeder is het uiteengevallen. „Mijn zus klaagde de eerste maanden steen en been dat ik mijn vader niet opzocht. Maar dat had ik daarvoor ook niet gedaan. Dus waarom nu wel? Na een half jaar had mijn vader een vriendin, een vrouw van verderop uit de straat. Prima, alleen is maar alleen. Ik had niet verwacht dat hij zo snel alweer contact zou maken. Ik vond hem sociaal nou niet heel erg sterk.”

Stoker: „Dit kon hij wel.”

Verbeek: „Ja, dus ik zei tegen mijn zus, die altijd goed was met mijn vader: ‘Wees blij. Dat geeft jou ook meer vrijheid.’ Dat ziet zij anders. Ze heeft sindsdien weinig contact meer met mijn vader. Haar twee kinderen dus ook niet.”

Stoker: „Die kennen hun opa niet?”

Verbeek: „Nee. Dat is echt heel treurig. Toen mijn vader tachtig werd, heb ik een groot feest gegeven. Mijn vaders vriendin heeft vier kinderen met ik weet niet hoeveel kleinkinderen. Ik was de enige van onze kant. Mijn broertje was er ook niet.”

Hij legt uit waarom, al weet hij het zelf ook niet precies. „Mijn broertje was zeven toen ik de deur uitging, dus ik ken hem ook niet zo goed. Toen hij ging trouwen, zei ik: „Gefeliciteerd, ik zie de uitnodiging wel tegemoet.” Hij zei: ‘Je hoeft niet te komen. We vieren het in kleine kring, alleen met familie.’ Dus ik zei: ‘Je bedoelt: háár familie?’ Maar mijn zus was wel uitgenodigd. Alleen mijn vader en ik hoefden niet te komen.”

De reden weet Verbeek nog altijd niet. „Ik heb mijn broertje later gebeld en ben nog eens bij hem langs geweest. Daar stelde hij geen prijs op. Mijn moeder was schijnbaar de bindende factor.” Met zijn zus heeft hij nog wel contact?

Verbeek: „Af en toe.” Stoker is stil. Haar gezicht verraadt medelijden. Ze kijkt Verbeek aan. Die zegt: „De familie Verbeek zit niet meer met elkaar aan één tafel.”

Verbeek zit ’s ochtends als eerste aan het ontbijt. Hij heeft aardig geslapen, zegt hij. In ieder geval niet slechter dan andere nachten sinds hij zijn ribben brak. Twee kopjes koffie en een flinke kom fruit; dat is zijn ontbijt. Hij wijst naar twee broodjes met vlees die op het bord naast hem liggen. „Weet je hoe lang het duurt voordat je dat hebt verteerd?” Hij eet al jaren fruit als ontbijt. En dan om tien uur nog een keer. „Dat neem je heel snel op. Ik kan nu zo aan de slag, als ik wil.”

Stoker schuift iets later aan. „Het gesprek van gisteravond speelde nog wel door mijn hoofd.” Verbeek: „Ik vond het een gezellige avond.” Of ze elkaar hebben leren kennen? Stoker denkt van wel. Verbeek knikt, maar zegt tegen Stoker dat ze zich niet heel erg toont. Stoker: „Ik vind het niet zo makkelijk en interessant om over mezelf te praten.” Bovendien heeft ze nog geen echte deuken en butsen opgelopen in het leven, zegt ze. „Ik ben een zondagskind.”

Buiten op het terras drinken ze een laatste kopje koffie. De zon schijnt. Verbeek zegt benieuwd te zijn naar de weergave van hun ontmoeting. „Het was echt een gesprek, geen interview. Ik weet niet meer precies wat ik allemaal heb gezegd.” Stoker is benieuwd of het nog verrassingen oplevert. Verbeek stelt haar gerust. „Jij hebt bijna niks gezegd.” Hij grijnst en geeft haar een stevige hand. Dan is hij weg. Stoker: „Een bijzondere man.”