In of uit de plooi, is de vraag

Arjen Fortuin kiest vier Nederlandse romans uit de midprice-uitgaven, voor op vakantie.

Als – ja als, maar toch – blijkt dat de Nederlandse literatuur zich in 2013 op een scharnierpunt bevond, dan zou best Hanna Bervoets’ Alles wat er was [1] het scharnier geweest kunnen zijn. In de roman lezen we de dooreengeschudde dagboekbladen van een vrouw die door een onduidelijke apocalyps opgesloten is geraakt in een schoolgebouw met een achttal anderen.

Veel meer dan een remake van een klassieker als Lord of the flies is de roman een fictionele uitwerking van het tv-programma Wie is de mol, waaraan Bervoets eerder zonder succes meedeed. In Alles wat er was slaagt ze wel, door het scherpe wantrouwen dat ze haar personages meegeeft en doordat steeds duidelijker wordt dat de vertelster, Merel, mogelijk maar zeer gedeeltelijk de waarheid spreekt en verteerd wordt door allerhande schuldgevoelens, lang niet altijd onterecht.

Het resultaat is een roman die helemaal draait om onderling vertrouwen en om de discrepantie tussen iemands publieke identiteit en wat daar eventueel nog voor zelfbeeld onder schuilt. Actueler krijg je het niet.

Een hele andere wereld zie je in Thomas Rosenbooms alweer vijftien jaar oude, meesterlijke Publieke werken [2]. Waar de 21ste-eeuwers van Bervoets tegen de buitenwereld aan duwen om gezien te worden, om uitzonderlijk te zijn, probeert vioolbouwer Walter Vedder zich in de plooien van de negentiende-eeuwse orde een plaats te verwerven. Hij weigert zijn kleine huisjes te verkopen aan de projectontwikkelaars van het Victoria Hotel, in de stellige hoop een hogere prijs te kunnen bedingen.

Het geeft Rosenboom de gelegenheid de ene schitterende scène na de andere op de lezer af te vuren, waarin Vedder en zijn Drentse neef Anijs zichzelf en elkaar in de nesten werken. Bijvoorbeeld wanneer – met het geraas van de sloopwerken om hem heen – Vedder per se wil vastleggen dat hij een viool van 3.000 gulden in bewaring heeft genomen: „‘Vertrouwen? Vertrouwen?’ vroeg hij op hoge toon. ‘Ik wil niet dat u mij vertrouwt, ik wil dat u op zakelijke wijze met mij omgaat, als gelijke, wij zijn immers beide zakenman? – Mijn eergevoel eist het’.” Zo’n man wordt gestraft.

Haast even hard is de straf die Saskia de Coster uitdeelt aan een van de karakters in haar vorig jaar met de Opzij Literatuurprijs bekroonde Wij en ik [3]. De man in dat boek, vader van de eigenlijke heldin, werkt zich met horten en stoten omhoog in de farmaceutische industrie, opgejaagd door de nagedachtenis van een gestorven broertje en een moeder die hem nooit meer los zou laten: „Haar kind dat nog leeft, wil ze haar hele leven lang blijven opvoeden.” Deze Stefaan zal menige kantoorcombine overleven, maar zich uiteindelijk gewonnen geven aan zijn innerlijke demonen.

Zijn dochter brengt het er beter vanaf, misschien wel omdat zij niet door de ballotage van haar oma komt: die ziet de baby. „Ze is niet te stoppen en brengt het hele blote lichaampje in kaart aan de hand van afwijkingen en vervloekingen en misvormingen. Saraahtche – ze spreekt de naam uit alsof ze niest.” Sarah is wel in staat om zich te onttrekken aan de structuren waarin ze opgroeit: een villawijk waarin de moeders (nu ja, haar moeder) op de knieën liggen om de franje van het tapijt te kammen. Het schijnt allemaal nog echt te bestaan ook.

Ook voor degenen die zich voegen naar wat van ze verwacht wordt, is er een mogelijkheid alles achter zich te laten, de bestaande verhoudingen om te keren en helemaal vrij te zijn. Tenminste, als ze katholiek zijn. Of zich aan de vooravond van de vasten enkele dagen willen aansluiten bij het carnaval. Jan van Mersbergen legde een zinderende Vastelaovend vast in Naar de overkant van de nacht [4], een roman waarin geleidelijk blijkt dat de hoofdpersoon niet alleen voor enkele dagen aan alles wil ontsnappen, maar dat hij misschien wel helemaal niet meer terug wil.

De lezer trouwens ook niet. Van Mersbergen schrijft zinnen waarin geen enkel woord bijzonder is, maar waarin elke lettergreep raak is: „De Blonde zegt dat ik zo zat ben als een kanon en ik zeg hem dat hij ook zo zat is als een kanon. We moeten iets eten, dat is het plan. Dempen die put. Een gevaarlijk idee, want eten betekent zitten en zitten betekent bijna liggen en liggen is het einde.”

Niet zitten of liggen dus, maar lezen. En dan meteen door met Van Mersbergens dit voorjaar verschenen nieuwe roman De laatste ontsnapping.