Het wezen van pijn

Pieter Steinz leest George Orwell

Pieter Steinz heeft ALS, een zeldzame neurologische ziekte waarbij je in toenemend tempo verlamd raakt. In deze serie verbindt hij het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Vandaag: pijn.

illustratie hajo

‘Hij lag bijna plat op zijn rug en was niet in staat zich te bewegen. O’Brien keek ernstig en vrij somber op hem neer. Onder zijn hand bevond zich een wijzerplaat met een hefboom er bovenop en cijfers rondom. [...] Zonder enige waarschuwing, behalve een lichte beweging van O’Briens hand, doorstroomde een golf van pijn zijn lichaam. „Dat was veertig”, zei O’Brien. „Je kunt zien dat de cijfers op deze wijzerplaat oplopen tot honderd”.’ (vert. Halbo C. Kool)

In de raamloze kelders van het Ministry of Love, in het derde en laatste deel van George Orwells Nineteen Eighty-Four, wordt Winston Smith onderworpen aan een verhoor. Of verhoor? Als dissident in de totalitaire maatschappij van Oceanië anno 1984 wordt hij eigenlijk met harde hand heropgevoed, nadat hij tijdens maandenlange martelsessies al zijn vergrijpen tegen de Partij – en heel wat meer dan dat – bekend heeft. Met behulp van een ingenieuze pijnmachine wordt hem de heersende ideologie ingeprent en wordt hij zo gehersenspoeld dat hij gelooft dat twee plus twee vijf is en dat hij werkelijk van Grote Broer houdt.

Geen boek beschrijft het wezen van pijn beter dan Nineteen Eighty-Four – zoals Orwells ideeënroman uit 1949 ook ongeëvenaard is in het scheppen van een nachtmerrieachtig onvrije wereld (die op tal van plaatsen bittere werkelijkheid is) en in het verpakken van de filosofie van de macht in een spannend verhaal. Al bij de eerste klap van een gummiknuppel tegen Winstons elleboog, schrijft Orwell: „Van pijn kon je maar een ding verlangen: dat zij zou ophouden. Niets ter wereld was zo erg als lichamelijke pijn. Ten overstaan van pijn zijn er geen helden, geen helden, zo dacht hij telkens en telkens weer, terwijl hij lag te kronkelen op de vloer en zijn onbruikbare linkerarm tevergeefs vasthield.” En daarna wordt het alleen maar erger.

De afgelopen dagen heb ik bijna constant aan Winston Smith in zijn cel gedacht. Sinds er iets misging bij een routineoperatie, het plaatsen van een preventieve maagkatheter (ik was die ene patiënt op honderd) – sinds vorige week donderdag dus, lig ik op de intensive care. Mijn omstandigheden zijn onvergelijkbaar met die van Winston: ik lig op een kamer met prachtig uitzicht en word omringd door liefhebbende verpleegkundigen en dokters die het goed met me voor hebben. Maar ik heb wel gekronkeld van de pijn, een pijn die (op last van de verpleging, maar gelukkig door mijzelf) moest worden bijgehouden op een schaal van een tot tien. Een pijn die de olfactorische en auditieve martelingen van een verblijf in het ziekenhuis, variërend van de stank van ontsmettingsmiddel en lichaamssappen tot het voortdurend herhaalde drietoonssignaal van de IC-apparatuur (dat precies lijkt op het begin van Rick Astley’s eighties(s)hit ‘Never Gonna Give You Up’), tot kruimelwerk reduceerde.

Laat me flink besparen op de details en zeggen dat ik uiteindelijk vijf keer naar de operatietafel ben gereden, en dat de pijn de eerste keren beperkt bleef tot een lokale-verdovingsprik door het buikvlies heen (score zeven tot acht) en af en toe een pijnscheut (acht). Maar het was tussen de operaties door dat de pijn inzette; niet de bestrijdbare napijn van de ingrepen (zes-zeven), maar de pijn van opzwellende lucht in mijn darmen, mijn maag en naar later bleek ook plaatsen in de buik waar helemaal geen lucht hoort te zitten. Ondanks steeds hogere doses telkens zwaardere pijnstillers (waaronder het gebruikelijke morfinepompje) kwam er geen eind aan en begon ik serieus te overwegen dat zelf er maar aan te maken. Tegen een zaalarts zei ik: „Een uur geleden had ik een tienmin!”; in de consternatie drong het niet tot haar door en reageerde ze alsof ik de beste van de klas was geworden.

Een noodoperatie kon niet uitblijven: verankering van de maag tegen de buikwand, verlegging van de drains. Ik had me voorbereid op de ergste pijn van de vorige operaties, maar er moest veel meer geprikt, verschoven en aan elkaar genaaid worden. Bovendien kwamen noch de plaatselijke verdovingen noch de zelfverstrekte doses morfine helemaal aan. De artsen bleven onverstoorbaar; ik niet. De OK-assistenten prezen mijn zogenaamde flinkheid, maar ik wist: ten overstaan van pijn zijn er geen helden. Ik schreeuwde en jammerde, wat niemand kon horen omdat ik mijn beademingskap op had. Even voelde ik me Winston Smith; alleen de gedachte dat dit alles voor mijn bestwil gebeurde, hield me op de been. De meeste lijders van pijn in deze wereld waren niet zo gelukkig.

‘ALS heeft u natuurlijk niet gewild”, zei mijn eerste revalidatiearts, de even goedgemutste als misgematchte Dokter X; „maar één voordeel hebt u, de ziekte veroorzaakt geen lichamelijke pijn.” Het was bij ons al een legendarische uitspraak toen ik in de herfst neuralgische pijn in mijn rechterarm kreeg (bij vlagen niveau negen). Nu lach ik er maar om en klamp ik me vast aan de volkswijsheid dat je zelfs de ergste pijn op een gegeven moment weer vergeten bent. Als het meezit blijven de beproevingen van Winston Smith langer in mijn geheugen dan mijn donkere dagen op de IC.