Dit museum is de freakshow op de kermis

Ga er nog eens kijken. Goed kijken. Dan zie je ergens armen uit de muur steken, je ziet dat het Meisje met de parel nep is en dat Rembrandt ongezond was. Dit deftige museum is eigenlijk een geschifte plek, de Amsterdam Dungeon is er niets bij.

Foto Ronald Tilleman / Mauritshuis Den Haag

De echte reden om naar het Mauritshuis te gaan is niet dat ene meisje met haar parel. Natuurlijk: je mag haar niet missen, en je kúnt haar ook onmogelijk missen. Voor haar beeltenis, in een deftig zaaltje in het Haagse museum, staat immers altijd wel een herkenbaar groepje parelliefhebbers te dringen. Ze heeft geen eigen eregelarij, zoals De Nachtwacht in het Rijksmuseum, maar hangt gewoon tussen de andere schilderijen, zoals ook de Mona Lisa er in het Louvre bijhangt. Het Meisje valt op om de voorspelbare redenen: die schalkse blik op dat onaantastbare gezichtje, dat licht dat haar bijna magisch maakt. Ze spat van het doek af.

En dat is dus écht zo. Als je haar in haar lijst ziet hangen, ervaar je echt iets anders dan wanneer je haar bekijkt op een gegoogeld plaatje, een badhanddoek of de inzoomscan op de Mauritshuis-site. De Mauritshuizers richtten een prachtig spotje op haar, waardoor zij straalt en haar parel glimt, alsof die net, fris en opgelucht, uit een oester is gebikt.

Die parel dus: één van de onverwachte leuke kanten aan het Meisje met de parel is haar bordje, met het toelichtingsverhaaltje over Vermeers schilderij. Daar staat dat het parelmeisje geen echt meisje is maar een nepmeisje, een ‘fantasiekop’, wat je kunt zien aan de ‘onwaarschijnlijk grote parel in het oor’.

Onwaarschijnlijk groot? Als in: een joekel? Reusachtig? Dat valt ook wel weer mee, maar het is duidelijk wat de Mauritshuizers hier proberen: het beroemde Meisje net zo eigenaardig maken als de andere stukken in de collectie, als de inrichting en eigenlijk als het hele museum. Want dát is de echte reden om naar het Mauritshuis te gaan – niet die topstukken (ja, óók), niet het paleisachtige gebouw (heel mooi, absoluut), niet de prachtverzameling Gouden Eeuw-kunst (ja, ook dat). Maar dit museum blijkt vooral de kunstvariant van de freakshow op de kermis. Eén groot rariteitenkabinet, de Amsterdam Dungeon is er niets bij.

Twaalf onderarmen uit de muur

Dat besef begon al een verdieping lager te dagen, in een grote zaal met weinig schilderijen. Het licht kwam daar uit elektrische kaarsen aan de muur, die omhooggehouden werden door mensenhanden. Zo staken er een stuk of twaalf onderarmen uit de muur. Het had op z’n zachtst gezegd iets lugubers.

Zo lijkt het Mauritshuis veel vaker z’n best te doen om je even uit balans te brengen: denk ook aan het zaaltje waar het zelfportret van Rembrandt hangt. Draai daar een kwartslag naar links, en je ziet nog een oude man, in dezelfde pose. Zijn gezicht is wat pafferiger, zijn haar golft meer en hij heeft een vlassig snorretje – maar verder had hij Rembrandts broer kunnen zijn. Dat zie je pas als je ze zo naast elkaar ziet hangen en hebt geconcludeerd dat de grote Rembrandt ook maar gewoon een ongezond ogend oud mannetje was.

En draai in het zaaltje van het heilige Meisje, als je geen zin hebt om je door de mensendrom heen te wurmen, eens een kwartslag naar rechts. Daar hangt een klein, onopvallend schilderijtje van Frans van Mieris. Met de uitgelichte hoofdrolspelers op de voorgrond lijkt niets geks aan de hand: een meisje dat een deftig geklede man een glas inschenkt. In de achtergrond zie je waar het schilderij echt over gaat: twee honden staan daar te kezen, op tafel ligt een dronkelap te slapen en in een achterkamertje wordt een meisje bepoteld.

De titel van het schilderij blijkt Bordeelscène. Weg is de gewijde heiligheid van het parelmeisje. En kijk eens goed naar een van de Mauritshuis-topstukken: De stier van Paulus Potter. Hoe langer je dat doet, hoe gekker hij wordt, legt een rondleidster uit aan een schoolklas. Het achterlijf, vertelt ze, is „volgens veedeskundigen” dat van een jong dier, het voorstuk van een oud rund. En de achterpoten staan eigenaardig gekanteld. En trouwens: het formaat van het kunstwerk is ook bevreemdend. De oude Franse, Spaanse of Britse collega’s van Potter gebruikten dit toch vooral voor belangrijke mannen, legers of Bijbeltaferelen. Potter schilderde een doodgewoon rund. Met maffe details: smerige vliegjes, een gedetailleerde kikker en een prominente koeienvlaai, een schaap met een enorm gezwel tussen haar poten.

Meisje met de parel-brillendoekjes

Het Mauritshuis lijkt ingericht volgens de regel: als je goed om je heen kijkt zie je dat alles geschift is. De inrichting helpt daaraan mee: in de trapzaal met oorlogstaferelen en het portret van Michiel de Ruyter hangen de doeken rijendik boven elkaar. Het is een ratjetoe waar je op het eerste gezicht geen lijn in ziet. Een behoorlijk modern geschilderd Delfts kerkinterieur en daarnaast een groots bloemstuk (van de schilder Ambrosius) en een portret van ene Maria van Oranje met een donkere slaaf. Pracht hangt naast lelijkheid. Ze maken het niet mooier dan het is.

Misschien is dat de rode draad van het hele Mauritshuis: dat het een maf, liederlijk zooitje was in de Gouden Eeuw. Dat Nederland een maf land was, waar het even normaal was om een vrolijk schilderij van slavernij te maken als van een overdadige maaltijd of een ‘oestereetstertje’. En in het museumwinkeltje gaat de idiotie nog even door. Je koopt er Meisje met de parel-brillendoekjes en -badeendjes. Nederland is nog altijd even maf.