De Tour start in Yorkshire, maar waar zijn de Britten?

De Ronde begint in Leeds als eerbetoon aan de Britse wielersport. Maar de Brit Bradley Wiggins doet niet mee en David Millar heeft zijn fiets te koop gezet.

Foto Reuters

Ziek was hij ervan. Een week geleden dacht David Millar, de 37-jarige renner van Garmin, nog dat hij zich mocht opmaken voor zijn dertiende Tourstart, nota bene in zijn eigen Groot-Brittannië. Maar zijn ploeg liet de vijfvoudig etappewinnaar op het laatste moment buiten de selectie – wat Millar deed besluiten om zijn fiets te koop te zetten.

Het schrappen van Millar past in een trend: er staan opvallend weinig Britten aan de start in Leeds. Van de 198 deelnemers is Simon Yates van Orica-Greenedge zelfs de enige die in Engeland geboren is. Verder zijn er van Sky nog de Britten Geraint Thomas (geboren in Wales) en titelverdediger Christopher Froome (Kenia) en vaardigt Omega Pharma-Quickstep de op het eiland Man geboren sprinter Mark Cavendish af.

Niet voor niets twitterde Millar: „Wiggo, Dowsett, Pete, Swifty, zin in een stedentripje? Ik hoor dat York leuk is.” Net als Millar ontbreken Bradley Wiggins, Peter Kennaugh, Ben Swift (allen Sky) en Alex Dowsett (Movistar) op het appèl. En dat terwijl de Tour toch vooral naar Engeland is gekomen ter ere van de goede Britse prestaties.

Natuurlijk valt het ontbreken van Wiggins het meest op. De winnaar van 2012, over wie wordt gezegd dat hij zich alleen in even jaren kan motiveren, is weer helemaal terug van de knieblessure die hem vorig jaar een Tourdeelname kostte. Zo won hij dit jaar de Ronde van Califonië en werd hij negende in Parijs-Roubaix.

Maar het is een publiek geheim dat Froome en Wiggins elkaar volstrekt niet liggen. De vete gaat terug op de Tour die Wiggins won. Tot twee keer toe leek Froome bergop weg te rijden van zijn kopman. Uiteindelijk hield hij wel weer in, maar de boodschap dat Froome eigenlijk de betere klimmer van de twee was, was luid en duidelijk aangekomen bij de buitenwereld. Ook toen Wiggins in Parijs het geel om zijn schouders kreeg, bleef de vraag domineren of Froome de Tour had kunnen winnen als hij voor een andere ploeg had gereden.

Nu zijn de twee Britse ploegmaten ook twee volledig tegengestelde types. De in Nairobi geboren Froome – ooit riep hij zichzelf bij gebrek aan concurrentie uit tot Keniaans kampioen – is in alle opzichten een gentleman. Wiggins groeide op zonder vader in het flatje van zijn grootouders in Londen en staat bekend om zijn vloeken en zijn geregelde alcoholmisbruik.

Zelfs de vrouwen van Froome en Wiggins liggen elkaar niet. Toen de vete tussen hun partners ontstond, roerden zij zich op Twitter. De verloofde van Froome begon: „Teamwork gaat ook over een kans geven om te schitteren aan de mensen om je heen, die je steunen.” Dit was een sneer aan Wiggins, die Froome de gelegenheid zou ontnemen om voor zijn eigen kansen te gaan. Mevrouw Wiggins counterde de vriendin van Froome met een tweet waarin ze enkele ploeggenoten van haar man prees voor hun opofferingsgezindheid – zonder Froome te noemen.

Het is niet voor het eerst in de geschiedenis dat twee gerenommeerde renners elkaar binnen één ploeg dwarszitten. Denk aan de Amerikaan Greg LeMond, die in 1985 niet voor zijn eigen kansen mocht gaan omdat hij bij La Vie Claire ploeggenoot was van de Fransman Bernard Hinault. Of aan de Tour van 2009, toen de Amerikaan Lance Armstrong derde werd in een ronde die werd gewonnen door zijn Spaanse Astana-ploeggenoot Alberto Contador. De rivaliteit tussen twee renners die beiden kopman willen zijn, kan funest zijn voor de sfeer in een ploeg. Het heeft de Sky-ploeg doen besluiten om alles op Froome te zetten en Wiggins thuis te laten.

Gevraagd naar het geringe aantal Britse wielrenners in de Tour hield Dave Brailsford, voormalig prestatiedirecteur van de Engelse wielerbond British Cycling en tegenwoordig manager bij Sky, deze week op een persconferentie een uitermate optimistisch verhaal over de „brede basis” waarover het Britse wielrennen zou beschikken. „Er zitten weer goede junioren aan te komen.”

Hetzelfde optimisme is te horen bij British Cycling. De wielerbond noemt de komst van de Tour een „teken” dat het Verenigd Koninkrijk een wielrennatie is geworden. Dankzij de successen van Wiggins en Froome, en baanmedailles voor Chris Hoy en Victoria Pendleton, is het aantal amateurwielrenners en recreatieve fietsers – mensen die meer dan een half uur fietsen als activiteit – dat zich in de afgelopen zes jaar aansloot bij de bond verdrievoudigd, tot 2,1 miljoen. Het land telt nu bijna net zo veel wielrenners als voetballers.

Het is de culminatie van een proces dat twintig jaar geleden begon met de bouw van een National Cycling Centre in Manchester, een beleid dat jonge talenten moest vinden en aanmoedigen, de aanleg van twintig racecircuits en het oprichten van fietsclubs, zogenoemde Go-Rides. Dankzij loterijgeld, extra investeringen na successen bij de Commonwealth Games van 2002 en de betrokkenheid van televisiezender Sky als sponsor – niet alleen voor profs, maar ook voor amateurinitiatieven – groeide de sport. De vijf jaar tot 2013 kreeg British Cycling 26 miljoen pond van de Britse sportbond.

Dat heeft evenwel niet geleid tot meer Britse renners in deze Tour. Chris Boardman, een van de zes Britten die de gele trui droegen en nu betrokken bij British Cycling, noemde het gebrek aan eigen talent eerder deze week op de BBC „een teleurstelling”. En Mark Cavendish, die hoopt als eerste te finishen in Harrogate, waar zijn moeder vandaan komt, zei: „In een ideale wereld had ik graag meer Britse renners gezien.”

Toch bevat de kleine Britse afvaardiging wel de titelverdediger en een kanshebber op of één of meer ritzeges. Kwalitatief telt het Verenigd Koninkrijk dus nog altijd mee. Maar waar Froome vorig jaar nog kon rekenen op de steun van drie landgenoten in zijn ploeg, moet hij het nu doen met zijn trouwe adjudant Geraint Thomas – en verder met drie Spanjaarden, een Oostenrijker, een Wit-Rus, een Amerikaan en een Australiër.

Mocht er in de persoon van Froome voor het derde jaar op rij een Brit de hoogste trede van het podium in Parijs mogen beklimmen, zal je daar echter niemand over horen klagen.