Bier of papier

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week de proloog vanDe Kleenexkronieken, de debuutroman van Neske Beks.

In Mortsel Den Oude God kan het leven twee kanten op: of je werkt voor de bierfabriek of je werkt voor de Kleenexfabriek. Wie bier of papier niet ziet zitten, kan beter het dorp uit.

Het leven speelt zich grotendeels af rond het Gemeenteplein, de vijf kerken, zeven kroegen en de pastorie. Maar het middelpunt is café De Afgebroken Brug, de kroeg van de Langen Theo. Vernoemd naar iets wat er niet meer is, staat deze plek als een brandend hart overeind. Er is wel ooit een brug geweest, maar deze is gesneuveld door een bombardement van de geallieerden, een friendly fire, zoals dat genoemd werd. Een hellevuur dat het dorp recht in het hart getroffen had. Al wat er van de brug rest zijn twee halfbegroeide bermen en de ruïne van een stationsgebouw. Beide geamputeerde stukken halfnatuur worden aan de uiteinden geflankeerd door een fabriek: in het westen de bierfabriek. En in het oosten staat sinds de naoorlogse jaren de Kleenexfabriek te schitteren.

Onder luid getoeter van de drumband en wild gegooi met stokken van het dorpsmajorettekorps ‘Animo’ werd de Mars der Directeuren ingezet. Het was al decennialang een publiek geheim, zeg maar traditie, dat de Directeur van de bierfabriek en de Directeur van de Kleenexfabriek elkaar niet konden uitstaan. Maar tijdens de jaarlijks terugkerende driedaagse markt was het hun plicht om gemoedelijk naast elkaar te lopen en iedereen overal de hand te schudden. Die traditie bestond al jaren, al decennia, zelfs al eeuwen naar verluidt. Precies zoals hun vele voorgangers het deden, kochten beide directeuren op de vooravond van de jaarmarkt, onder welwillend toezicht van het hele dorp, een koe. Het hoogtepunt van de traditie was de letterlijke Mars: het moment waarop de Directeuren op de laatste avond van de markt in hoogsteigen persoon op hun koe klommen en de tocht naar huis inzetten.

Terwijl de jongemannen van het dorp hun uiterste best deden de koeien op te jagen, oogstten beide Directeuren alom bewondering door op de rug van de beesten gezeten te blijven. De regels van het spel waren eenvoudig: op het moment dat twee Directeursvoeten de drempel van hun voordeur raakten, blies een van de jongens die de koe zo hadden opgejaagd op zijn toeter, ten teken dat de strijd ten einde was. De koe van de verliezer werd meedogenloos het dorp uit gejaagd, maar kreeg de volgende dag bij het slachthuis in de stad ritueel de laatste sacramenten toegediend. Eén keer was het voorgekomen dat zo’n verliezend beest, wild van angst, op de Mechelsesteenweg een animeerbar was binnengestormd. De schaars geklede, dan wel naakte buitenlandse meisjes, niet bekend met onze barbaarse dorpsrituelen, waren doodsbang de straat op gerend terwijl het gelach van de jongens van ons dorp door de straten galmde. Naar verluidt was het doel van de koeiendans sindsdien verlegd: wie het nóg een keer voor elkaar zou krijgen dat de animeermeisjes in hun blote kont de straat op zouden rennen, kreeg een jackpot van drie vetgemeste koeien mee naar huis.

Kortom: tijdens de jaarmarkt was het belang van een goede koe vele malen groter dan de koers van de frank. Tijdens de dagen tussen aankoop en wedstrijd werden de beesten meer dan angstvallig goed bewaakt: in het verleden was het meer dan eens voorgekomen dat de Directeuren geprobeerd hadden het resultaat te beïnvloeden door het beest van de ander te veel voer te geven en zelfs te verminken. En hoewel niemand het verhaal wist hard te maken was het een publiek geheim dat allebei de Directeuren ruim van tevoren in een veraf gelegen dorp een stuk of tien koeien uitzochten, die in het grootste geheim door een ingehuurde werkkracht getraind werden. Een maand voor de jaarmarkt ging de Directeur dan zogenaamd op zakenreis, maar in werkelijkheid trok hij naar het dorp, om de beste koe van het tiental ‘in’ te rijden. Slechts één keer was een van de Directeuren betrapt toen hij de bewaker van de beesten tevergeefs trachtte om te kopen met een baal van duizend wc-rollen. Het moge duidelijk zijn om welke Directeur het in dit geval ging.

Zoals bij alles wat van belang was in Mortsel Den Oude God gold: iedereen wist van het gesjoemel, maar niemand sprak erover.

Dit jaar echter, op de eerste dag van de jaarmarkt, bewees Moeder Natuur dat ze niet te voorspellen noch om te kopen was. De koeien van de beide Directeuren besloten gelijktijdig dat ze het spel niet zouden meespelen. Ze blokkeerden en stagneerden.

En hoe iedereen ook duwde of trok: de beesten wilden niet naar voor en niet naar achter.

Ze wilden helemaal niks.