Column

Panna, uit Suriname

Ziekenhuisbal, schwalbe, stofzuiger: voetbal heeft zijn eigen taaltje. Wat betekenen die begrippen? Vandaag: panna!

Het aantal keren dat het woord panna de vorige eeuw in Nederlandse kranten werd afgedrukt, is op één hand te tellen. Tenminste, in de betekenis van door de benen spelen. In de kookrubriekjes had men het soms wel over panna cotta, een Italiaans toetje.

Als voetbalterm deed het eind vorige eeuw z’n intrede. In het boekje Voetbaltaal (1997) schrijft Anton Kantelberg over de Kabel, het verbond van Surinaamse spelers in Nederland, en de woorden die daarmee hun intrede deden in de Nederlandse voetbalwereld. „Een voorbeeld van ‘kabeltaal’ is panna, de bal tussen de benen van de tegenstander doorspelen.”

Het woord wordt in een ‘echt’ voetbalverslag nog altijd sporadisch gebruikt. Een van de weinige voorbeelden komt uit de Volkskrant, in 2003 over Ajax - Excelsior (2-1): „Typerend voor het vertrouwen aan Rotterdamse zijde was de onvervalste panna (de straatvoetbalterm voor poorten) van Lopes ten koste van Pasanen, waarna de spits Mtiliga de kans bood te scoren.”

Kranten gebruiken het vooral als er geschreven wordt over het voetbal op de pleintjes, waar jongetjes elkaar proberen te vernederen met een balletje door de benen. Er ontstond in 2001 (in de tijd dat het woord gemeengoed werd) zelfs een Panna Knock Out-toernooi, waarbij straatvoetballers winnen door drie keer te scoren – maar het ook kunnen afdoen met één balletje door de benen van de tegenstander.

Hadden we voor die tijd dan geen woord om te beschrijven dat een bal door de benen gespeeld werd? Jawel, ‘poorten’ was gangbaar en soms werd gesproken van een ‘bruggetje’. Ook in Vlaanderen is de panna begin deze eeuw in rap tempo gemeengoed geworden – al blijft het jammer dat daarmee hun eigen versie, het broekske, een vroege dood stierf.