Column

Is het topkader van ABN Amro echt zo top?

Heeft minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën (PvdA) over beloningen bij banken en verzekeraars in staatshanden echt zo weinig te vertellen als hij beweert? De aanleiding voor de vraag is, nog steeds, de 20 procent verhoging van het vaste salaris van honderd mensen in het topkader van ABN Amro, de genationaliseerde bank die op zijn vroegst volgend jaar naar de beurs gaat. De opslag is een reactie op de vaststelling van een bonusplafond per 1 januari 2016: maximaal 20 procent van het vaste salaris. Het Europese maximum is 100 procent.

De verhoging woekert verder als voorbeeld van ondankbare bankmensen, permanente hebzucht in de geldwereld en een gebrek aan politieke sturing en leiderschap. Dijsselbloems partijgenoot Sander Terphuis, die deze week in deze krant debatten over het partijbeleid aankondigde, noemt de salarisverhoging bij ABN Amro als een van zijn grieven. „De minister van Financiën als grootste aandeelhouder liet het gewoon gebeuren.”

Dat deed de minister bewust, zo blijkt uit de memorie van toelichting op het wetsontwerp bonusplafond. In de consultatieronde over zijn plannen kwamen reacties op twee punten die hier relevant zijn. Het eerste is de zorg dat bedrijven zouden reageren met een verhoging van de vaste salarissen. Dat „is toegestaan”, schrijft Dijsselbloem, als de betrokken medewerkers consistent zo goed presteerden dat zij elk jaar de „maximale variabele beloning” ontvingen. Anders gezegd: alleen excellent presterende mensen verdienen een verhoging. Zouden alle honderd van ABN Amro daaraan voldoen? Petje af.

De tweede reactie die Dijsselbloem aanhaalt is: waarom geeft de staat als grootaandeelhouder van financiële instellingen niet het goede voorbeeld? Zegt de minister: „Op dit moment zet de staat zich reeds in voor een sober beloningsbeleid wat betreft haar deelnemingen. Echter is het wel zo dat de staat, net als elke andere aandeelhouder, geen invloed heeft op de uitkomsten van bijvoorbeeld cao-onderhandelingen of individuele onderhandelingen.”

Daar doet de minister zichzelf, en ons als samenleving, ernstig tekort. In het kader van goed bestuur en effectief toezicht moeten aandeelhouders zich niet en detail bemoeien met alles in ‘hun’ bedrijf. Iedereen moet rolvast zijn. Het bestuur van de onderneming bestuurt, de commissarissen houden toezicht en de aandeelhoudersvergadering controleert en beoordeelt de uitkomsten. Bij beursgenoteerde ondernemingen bespreekt de aandeelhoudersvergadering bijvoorbeeld het algemene beloningsbeleid. Maar individuele salarissen zijn daar geen onderwerp van besluitvorming, al is discussie logisch. Over bonussen bijvoorbeeld.

Dus, toch goed gedaan van Dijsselbloem? Nee, om twee redenen. De eerste is dat de extra 20 procent vast salaris een (op zich bescheiden) deel van de winst afroomt ten koste van het dividend. Dat tast rechtstreeks het aandeelhoudersbelang aan dat Dijsselbloem als onze vertegenwoordiger moet bewaken.

De tweede reden is dat het bonusplafond eind oktober 2012 al in het regeerakkoord is aangekondigd. Dijsselbloem had tegen de staatsdeelnemingen in de financiële sector het volgende moeten zeggen: ‘Als u in reactie hierop over compensatie denkt... doe het niet. Reddingsacties zijn politieke beslissingen. Ik ben een politieke aandeelhouder. Ik verdedig in het parlement uw vrijheid om zaken te doen en de continuïteit van onze bank te bevorderen, maar als u mij politiek in verlegenheid brengt, staat u op straat. Soberheid bewaken is normen handhaven’.