‘Ik durf nu te schrijven over hoop en zachtmoedigheid’

Peter Terrin: ‘Ik heb het genre van de roman afgelopen tien jaar eenzijdig belicht’ Foto Koos Breukel

‘Uw boek is echt supergoed geschreven, echt heel mooi’, zegt de ober tegen Peter Terrin. We zitten aan een tafeltje in een grand café in Gent. De ober heeft het over Monte Carlo, de jongste roman van Terrin – winnaar van de AKO Literatuurprijs in 2012.

Het boek gaat over Jack Preston, een monteur bij Team Lotus die in 1968 bij een Formule 1-race het leven redt van filmster Deedee en hoopt op erkenning voor zijn heldhaftige daad. Het is echter de lijfwacht van Deedee die alle credits krijgt. In deze krant merkte recensent Arjen Fortuin (Boeken, 09.05.2014) op dat deze roman afwijkt van het vorige werk van Terrin (1968), het boek zou lichter van toon zijn.

Is ‘Monte Carlo’ inderdaad anders en lichter?

„In elk geval is het een heel ander boek dan mijn vorige werk. Of het ook lichter is, weet ik niet, daar ben ik ook niet mee bezig als ik schrijf. Ik concentreer me altijd volledig op het verhaal. Het is misschien een nieuw begin, maar dat zit hem vooral in de manier van vertellen. Ik heb voor het eerst gebruik gemaakt van een alwetende verteller en ik was benieuwd of dat zou lukken. Zo te schrijven was een verademing, een verlossing.”

Waar zat die verlossing in?

„Ik vond meer plezier in het schrijven, omdat ik niet meer gevangen zat in mijn hoofdpersonage. Als je vanuit je hoofdpersonage schrijft wórd je die man of vrouw en soms is dat beklemmend”

Een alwetende verteller creëert ook meer afstand.

„Ja, maar dat hoeft niet noodzakelijk slecht te zijn. Doordat je meer informatie krijgt, is de impact van het verhaal misschien wel groter, komt die harder aan. Ik weet het niet zeker, ik ben er nog niet helemaal uit. Samen met het verhaal komt ook de vorm waarin het geschreven moet worden en deze keer was het een vertelling. Met een alwetende verteller kun je het verhaal sneller laten verlopen.”

Er is een hoofdstuk over een weduwnaar die onbewust een foto verbrandt waarop het bewijs staat dat Jack inderdaad de redder is. Waarom koos u ervoor om deze weduwnaar – die verder niets met het verhaal te maken heeft – op te nemen? Was u bang dat de lezer er te veel vanuit zou gaan dat de hoofdpersoon zijn heldendaad bij elkaar fantaseerde?

„Ik ben er zelf geen moment vanuit gegaan dat Jack niet degene was die Deedee heeft gered. Toen Arjen Fortuin schreef dat het de vraag was of de redding wel echt door Jack is verricht, was ik verrast. Ik zelf had het dus niet gezien. Achteraf denk je: inderdaad, dat zou kunnen. De vraag moet denk ik niet zijn: is het gebeurd of is het niet gebeurd. Het is gewoon gebeurd. Maar de échte vraag is: is Jack een held of is hij geen held? Dat vind ik veel interessanter. En ook een interessantere vraag: wat maakt iemand tot held?”

Doordat de lezer Jack überhaupt als held kan beschouwen, is hij anders dan uw andere personages. De meeste zijn claustrofobische anti-helden.

„Ja en nee. Het zijn allemaal ‘strevers’. Zoals Thomas Rosenboom al zei: een goed hoofdpersonage is een strevend personage. Ik vond dat toen ik dat tien jaar geleden las zeer terecht. Maar goed, ik las die opmerking toen ik nog midden in mijn strevende personages zat. Jack is anders: hij heeft weliswaar ook een streven, maar anders dan mijn vorige personages gaat hij uit van de goede afloop. Hij is niet zelfingenomen, hij heeft de innerlijke overtuiging, het geloof dat het goed komt.”

Wat is het streven van de personages in uw roman ‘Kras’, waarin drie mannen zich ontpoppen tot moordenaars?

„Dat is een moeilijke. Het is een boek van mij, maar ik zou het nu nooit meer publiceren. Dat boek rammelt. De taal is goed – daar sta ik volledig achter –, maar het verhaal is te kort en te schematisch. Je kan nu het individuele drama niet begrijpen waardoor ze tot die misdaad komen. Voor mij is mijn roman Blanco eigenlijk het begin van mijn schrijverschap. Mocht ik het allemaal over mogen doen, dan zou dat boek een sterk debuut zijn geweest. Maar dat is makkelijk achteraf gezegd, want je moet nu eenmaal een bepaald parcours doorlopen.

„Pas bij Blanco kreeg ik wat weerklank. Blanco, Vrouwen en kinderen eerst en De bewaker zou je een drieluik kunnen noemen. Elk op een andere manier, maar ze zijn typisch voor de tijd waarin ze zijn geschreven. Je kan het niet negeren: het vorige decennium stond volledig in het teken van terreur en van de angst voor terreur. Dat algemene gevoel heeft z’n weg gevonden naar mijn werk zonder dat ik nadrukkelijk terreur beschrijf. Het gaat me om de terreur die iemand zichzelf aandoet. Het is me opgevallen dat mijn werk verankerd zit in de tijdgeest. Ik ben heel benieuwd wat de boeken die ik nu schrijf zeggen over deze tijd.”

Misschien dat u nu positief tegenover de wereld staat?

„Dat is de vraag. Het hangt samen met hoe ik veranderd ben, ik ben niet meer de man van tien jaar geleden. Iedereen verandert, maar hoe ik ben veranderd, heeft zich vertaald in wat ik schrijf.”

Ik neem aan dat u doelt u op het herseninfarct van uw dochter, waarover u schrijft in ‘Post Mortem’?

„Ook. Maar die verandering in het schrijven zou sowieso zijn gebeurd. Ik ben, zoals iedereen dat doet, veranderd, ben ouder geworden, heb kinderen gekregen.”

Stel dat uw dochter niet sterker uit dat infarct was gekomen, misschien zelfs was overleden, kunt u zich voorstellen dat u dan een boek over hoop had kunnen schrijven?

„Ik wil er niet aan denken wat dat betekend zou hebben. Ze heeft samen met haar wedergeboorte – om een groot woord te gebruiken – mijn schrijverschap bepaald. Ze heeft mij ook als schrijver opnieuw gedetermineerd. Daar ben ik haar wel heel dankbaar voor, moet ik zeggen. Post Mortem is mij opgedrongen, het was geen bewuste verandering van mijn schrijven.”

Welke invloed heeft het boek gehad?

„Ik denk dat mijn toekomstige personages minder strevend zullen zijn, omdat ze nu meer tot aanvaarding in staat zijn. Dat ze misschien nu beseffen dat het gevecht niet altijd geleverd hoeft te worden, maar dat er ook kracht geput kan worden uit de situatie waarin ze zich bevinden. Dat je niet je energie hoeft te besteden aan iets wat toch niet bereikbaar is. Dat merk ik nu al, ik heb nu drie hoofdpersonages voor wat een groot boek zou moeten worden. Ze zijn heel anders dan alle vorige personages. Een van hen is een inspecteur. In België hebben we naast Dutroux een tweede nationaal trauma: de Bende van Nijvel. Begin jaren tachtig zaaide die terreur en moord in tal van supermarkten. Het is nooit duidelijk geworden wie daar precies achter zat – het is het verdriet van België waarmee ik ben opgegroeid. Wat ik vooral bedoel: een van de personages in het boek is een inspecteur. Vroeger zou ik voor een harde inspecteur hebben gekozen, maar nu zal hij een personage zijn dat zachtmoedig is. Hij is de good cop. Ik vind het nu kennelijk boeiender om voor zo iemand te kiezen dan voor de bad cop.”

Is die ‘good cop’ minder daadkrachtig dan de ‘bad cop’?

„Ja, maar misschien bereikt hij wel meer. Die verschuiving stel ik vast, maar dat gebeurt niet bewust. En wat voor mij zeer belangrijk is, is dat ik mij verlost voel van een bepaalde manier van schrijven. Ik heb het gevoel dat ik nu pas echt begin. Ik heb het genre van de roman de afgelopen vijftien jaar heel eenzijdig belicht. Je zou kunnen zeggen dat die romans, op Post Mortem na, lange novelles waren. Ze waren altijd heel strak van A naar B, dat roept een bepaalde spanning op, en ook een vorm van claustrofobie, als je alles vanuit dat hoofdpersonage beleeft. Maar ik ben daar klaar mee, ik wil me niet beperken, er is nog zoveel meer te doen. Daar ben ik blij om, het is helemaal niet het einde. Het begint nu pas. Ik heb zin om te experimenteren, er moet iets op het spel staan. Niet dat ik dat met Monte Carlo nog niet doe, maar dat was meer de techniek waarmee ik experimenteerde: kan ik met een alwetende verteller een boeiend verhaal vertellen?”

Wat gaat u in de nieuwe roman op het spel zetten?

„De uitdaging is om een toegankelijke roman te schrijven – een dikke roman moet dat toch eerbiedigen, anders ben je na vijftig bladzijden je lezer kwijt. Ik wil mijn personages op een andere manier aan het woord te laten, op een onconventionele manier. Ik wil ze scherper portretteren om tot ze door te dringen.

„Ik ben bijvoorbeeld geboeid door Eimear McBride die, die onlangs een grote prijs won met A girl is a half-formed thing, een boek dat uit half afgemaakte zinnen bestaat. Ik denk dat het in de literatuur weer tijd wordt voor wat meer experiment. Geen taalexperimenten zoals in de jaren zeventig, ter meerdere eer en glorie van de schrijver zelf, maar op inhoudelijk vlak. Ik wil dat het experiment een functie in het verhaal krijgt. Ik moet nog beginnen met schrijven, maar ik ben heel benieuwd of straks zal blijken of het lukt. Post Mortem was eigenlijk al tamelijk experimenteel, doordat ik in het eerste deel van de roman de schrijver en zijn personage bij momenten laat samenvallen, om de lezer aan den lijve te laten voelen hoe het is om als schrijver met een romanidee rond te lopen. Hoe de werkelijkheid de fictie beïnvloedt en omgekeerd.”

In ‘Post Mortem’ en in ‘Monte Carlo’ zijn de personages op zoek naar erkenning. Wat is er fascinerend aan erkenning?

„Het element van rechtvaardigheid denk ik.”

Is de hang naar erkenning toegenomen na de AKO Literatuurprijs voor ‘Post Mortem’?

„Nee, nee. Ik heb niet in die termen Monte Carlo willen schrijven. Het is interessant voor een verhaal wanneer iemand iets ontnomen wordt, wanneer hij niet krijgt waar hij recht op heeft. Je hebt die frictie nodig. Maar als je mij persoonlijk bedoelt: ik heb helemaal geen last van gebrek aan erkenning. Ook niet vóór het krijgen van de AKO prijs. Ik dacht wel dat ik een breder publiek zou kunnen bereiken. Het is heel moeilijk om die bres te slaan. Ik had altijd goede recensies, ik had niet het gevoel dat ik over het hoofd werd gezien. Maar mijn uitgever en ik dachten wel: het zou nu toch eens moeten gebeuren.”

Is dat de reden dat u bent overgestapt van De Arbeiderspers naar De Bezige Bij?

„Met dat idee liep ik al langer. Een breder publiek bereiken kun je niet forceren. Je moet geluk hebben, je hebt iets nodig. Voor mij was dat de AKO. Die prijs was een emotioneel gebeuren, ook omdat het een afsluiting van een periode was. Het geloof was er dat alles beter ging worden, het geloof dat ik dat boek moest schrijven – dat kwam allemaal samen. De prijs zette de vier harde jaren die eraan vooraf gingen weer recht.”

U laat vaak het woord geloof vallen en ‘Monte Carlo’ gaat ook deels over geloof. Bent u gelovig?

„Ja, god, dat hangt ervan af wat je daarmee bedoelt. Ik ben niet godsdienstig, maar ben wel rooms-katholiek opgevoed. Daar ga je je als jongeman tegen afzetten, ik groeide op in een tijd dat iemand als Hugo Claus – terecht – enorm afgaf op de kerk. Dat leidde er wel toe dat de hang naar spiritualiteit die we allemaal in zekere mate hebben, werd bedolven.

„Wat wij – mijn vrouw en ik – ervaren hebben met onze dochter en wat haar overkwam, is dat geloven krachten opwekt. Het is volstrekt naïef, maar op een gegeven moment houdt de rede op en zoek je houvast. Je overtuigt jezelf ervan dat het goed komt. Mijn dochter Renée was net zo, een sterk karakter, ze is een vechter, en ik weet zeker dat ze met die houding iets heeft afgedwongen in het proces van haar revalidatie. Artsen hebben dat ook bevestigd, kinderen die zich na een trauma in zichzelf terugtrekken revalideren minder goed.

„Als je het over dit soort geloven hebt, ja, dan ben ik gelovig. Gelovig geworden. Vroeger zou ik dit cynisch hebben weggewuifd als zijnde belachelijk, en al beschouw ik mezelf nog steeds als een nuchter man, nu durf ik het belang ervan voor mezelf te erkennen.”