Een zeilkamp? Nee, een deel van het leven van duizenden kinderen

In Friesland beginnen dit weekend weer de zeilkampen. Duizenden kinderen gaan ernaartoe, elke zomer weer.Maar dit jaar ging het bijna niet door, toen Zeilscholen.nl failliet werd verklaard.

foto Siebe Swart/ Hollandse Hoogte

Woensdagmiddag, de telefoon trilt. Een nieuw mailtje in mijn inbox. Onderwerp: ‘Totaaloplossing voor gedupeerde zeilcursisten’. Afzender: Vinea Vakanties.

Dit is de korte versie: half juni werd het faillissement uitgesproken van Zeilscholen.nl. Een paar dagen later kondigde reisorganisatie Vinea aan een aantal locaties te exploiteren om de kampen deze zomer toch door te kunnen laten gaan. De zeilscholen waren jarenlang van Vinea, maar zijn in 2012 overgenomen en zelfstandig geworden. „Sindsdien”, staat er in de mail, „zijn Vinea en Zeilscholen.nl twee geheel zelfstandige organisaties die op geen enkele manier verbonden zijn met elkaar”.

Dat laatste is niet waar. Het is dan wel zo dat de zeilscholen sinds 2012 officieel niet meer onder Vinea vallen, maar voor de honderden instructeurs die er lesgeven en de kinderen die er op kamp gaan maakt dat weinig uit. Zij hebben het nog altijd over Vinea. Want Vinea is een begrip. Een deel van hun leven. Letterlijk.

Dat geldt ook voor mij. Tussen mijn 10de en 22ste bracht ik vele weken door in Friesland. Eerst als cursist, later als instructeur. Ik heb het even uitgerekend: in totaal was ik bijna een half jaar van mijn leven bezig met Vinea. Een half jaar weinig slapen in gammele stapelbedjes. Nauwelijks tijd voor een douche. Altijd de geur van natte zwemvesten en eten dat bereid wordt in pannen die zo groot zijn dat je er in kunt gaan zitten.

Tien jaar was ik toen ik voor het eerst op zeilkamp ging, naar zeilschool Stipe Wille in het plaatsje Balk. Het was een zomerse zondag en de straten van Balk waren uitgestorven. Behalve aan het einde van een doodlopende weg achterin het dorp, daar reden stationwagens af en aan.

We werden onthaald door de staf – met één f – jongens en meisjes van rond de twintig. Hun enthousiasme was overweldigend. „Wat een leuke hond heb je!!!” „Wat een lief broertje!!! Mogen we ’m houden?” Ze droegen Vinea T-shirts, sommigen waren verkleed. De stafleden hadden allemaal een naamsticker: Dobby, Hermelien, Draco. Het was 1999, Harry Potter was hip.

Mijn tas en slaapzak werden van me overgenomen en we werden naar een van de slaapzaaltjes gedirigeerd. Het was het begin van een week waarin ik niet alleen liefde voor zeilen ontwikkelde, maar ook kennis maakte met de ‘Vineast’: een hyperactief soort mens dat zich nergens voor lijkt te schamen en helemaal gek is van watersport. Ik had, in mijn tienjarig bestaan, nog nooit zoiets meegemaakt. Dus ging ik een jaar later weer op kamp. En het jaar daarna. En de vier zomers daarna ook.

Katholiek zijn de kampen niet meer, vormend nog wel

Ik was niet de enige: honderden kinderen gaan iedere zomer op zeil- of surfkamp met Vinea. De organisatie bestaat sinds 1947, al was het in die tijd vooral een vormingscentrum voor rooms-katholieke jongeren en heette het nog Vinea Domini, ‘Wijngaard des Heren’. De insteek veranderde in de loop der jaren, katholiek zijn de vakantiekampen al lang niet meer. Maar vormend, dat wel.

Deze week belde ik met Pleun Broekman, oprichter van de Facebookgroep ‘Zeilschoolredders’. Op deze pagina houden (oud-)stafleden elkaar op de hoogte over de ontwikkelingen rond de zeilschool. Pleun schrijft: Zeilscholen.nl is failliet, die kunnen we niet meer redden... maar Vinea leeft! Wil jij ook dat een lange traditie wordt voortgezet en onze hechte zeilschoolfamilie bij elkaar blijft? Like dit bericht en voorkom het uit elkaar vallen van die mooie club die we samen hebben opgebouwd!'

Pleun is 14 jaar. Ze is een ‘vineababy’: haar ouders kennen elkaar van Vinea, gaven er vroeger allebei les. Haar vader was windsurfleraar, haar moeder kielbootinstructrice. Dit jaar zou ze voor de vijfde keer op kamp gaan. Maar toen kreeg ze te horen dat het waarschijnlijk niet door zou gaan. „Ik kwam thuis uit school en mijn moeder zei: Zeilscholen.nl is failliet”, vertelt ze aan de telefoon. Ze was er even stil van: „Ik kreeg zelfs een beetje tranen in mijn ogen. Ik kan me geen zomer voorstellen zonder kamp. Het is ook mijn toekomst, snap je? Ik weet al heel lang dat ik later ook instructeur wil worden. Nu denk ik shit, misschien gaat dat niet meer door. Mensen zeggen: Pleun, dan ga je toch naar een ander kamp? Maar dat zou gewoon niet hetzelfde zijn.”

Je kunt overal leren zeilen, maar geloof me: dat is niet hetzelfde

Ik begrijp Pleun. Natuurlijk, er zijn genoeg plekken in Nederland waar je kunt leren zeilen of windsurfen. Maar op die plekken is er vast geen aftersaildisco. Geen kamercoach. Of een verzamelnummer dat wordt aangezet als het tijd is voor het eten, het avondprogramma of de theorieles. Je zult er waarschijnlijk geen ‘broodje alles’ of ‘apenkots’ eten: stamppot met aardappelpuree, bloemkool en gehakt. En je zult er waarschijnlijk ook nooit, nog voor het ontbijt, met z’n allen spontaan in het water springen voor een verfrissende ochtendduik.

Pleuns Facebookpagina heeft inmiddels ruim 650 leden. De meesten zijn tussen de 18 en 30 jaar, studeren of zijn recent afgestudeerd. De helft ken ik persoonlijk of van gezicht. Toen ik 17 was, deed ik de instructeursopleiding. Zeven dagen zaten we met een groep leeftijdsgenoten in een boerderij in het gehucht Oudega Wymbritseradiel – „Oudega W.”, zeiden we, want niemand kon dat natuurlijk goed uitspreken. Iedere dag van half 9 ’s ochtends tot 6 uur ’s avonds waren we op het water. Eindeloos hijsen, strijken, ankeren, man-over-boord manoeuvres oefenen.

In de zomer erna gaf ik vier weken les, op verschillende locaties in Friesland. Iedere dag, behalve op zaterdag, gingen we zeilen. Vier of vijf kinderen en ik in een polyvalk. In weer en wind. Soms was ik, met mijn 17 jaar, maar één of twee jaar ouder dan mijn cursisten. Ik maakte ze van alles wijs: dat ik 27 was en Windkunde studeerde, of net een wereldreis had gemaakt. Dat we naar Engeland gingen varen. Dat er een pilletje bestond dat ervoor zorgde dat je geen heimwee meer had.

Aan het einde van de week kon ik meestal mijn handtekening op de diploma’s van mijn cursisten zetten, het bewijs dat ze echt iets hadden geleerd. Soms kwam ik die kinderen een paar jaar later weer tegen; zij waren nu ook instructeur.

Tijdens het laatste kamp van die zomer vierden we iedere dag een ander feest: valentijnsdag (met een liefdesbrievenbezorgservice), Sensation White (met blacklights en glowsticks). Toen het Kerstmis was, bouwden we een metershoge boom van lege Heinekenkratjes en lag de hele accommodatie vol met nepsneeuw. Voor het ‘chique diner’ op de laatste avond beplakten we de houten tafels met aluminiumfolie. Twee afzetlinten op de grond werden een rode loper. Want ook dat leer je op Vinea: vanuit het niets iets creëren, met een beetje fantasie.

Zes zomers lang ging ik iedere keer weer terug naar Friesland. Thuis, in de echte wereld, sloeg de ‘post-vineale depressie’ toe. Na drie, vier weken kamp kon de stilte oorverdovend zijn. Dan zette ik, uit heimwee, het verzamelnummer nog maar een keer aan.