Die Alfred Issendorf. Dat blijkt dus een mafkees te zijn

Dit is wat bleef: Muggen, Wittgenstein en de angstaanjagende zin die volgt als Alfred Issendorf eenmaal het lichaam van zijn metgezel heeft ontdekt, niet meer tussen de muggen, maar tussen de vliegen: ‘Dit was geen slapen, dit was nooit meer slapen.’ De rest van W.F. Hermans’ grote roman was in mijn geheugen versmald tot wat in de handboeken staat: geleende kennis. Maar ik héb Nooit meer slapen gelezen, vijfentwintig jaar geleden, in de zomer na mijn eindexamen, waarin ik verlost van leeslijsten en andere ketenen eindelijk kon lezen wat ik zelf wilde. Dankzij de wat overdreven administratie die ik destijd bijhield (op boekenleggers) weet ik precies wanneer: van 28 tot 30 juni 1989. En nu dus weer, want ik wil mijn vergeten boeken terug.

Het is wel een merkwaardig boek, dat Nooit meer slapen. De scènes hangen van het ogenschijnlijke toeval aan elkaar, even toevallig als het kapotte kompas waardoor alles in het honderd loopt. In mijn herinnering was de held, Alfred Issendorf, een redelijk normale man met navoelbare ambities en een uiteindelijk mislukkende expeditie. Hij blijkt dus een mafkees. Afwisselend volslagen naïef en compleet paranoia: hij haat de wereld, veracht de mensen en vreest de hele tijd tegenwerking (van de monumentale professor Nummedal, van zijn expeditiegenoot Mikkelsen) terwijl in werkelijkheid niemand hem de moeite van het tegenwerken waard vindt. Jongen, denk je, het is niet dat ze je dwars willen zitten – het is dat je in het leven van die anderen eigenlijk niet bestaat. Daarop zijn drie uitzonderingen: zijn moeder, het eendje dat in een visnet verstrikt raakt en daarna bij de verdwaalde Issendorf blijft zitten kijken en de arme Arne – God, wat moet dat een lieve jongen zijn geweest. (Dat is een van de effecten van het teruglezen: als je achttien bent zijn bijna alle personages in een roman ouder dan je zelf bent, terwijl ik me nu moet inhouden om die twintigers niet als halve kinderen te zien.)

Mijn beeld van Alfred Issendorf wordt misschien versterkt doordat ik vorig jaar het eerste deel van de Hermans-biografie van Willem Otterspeer las, waarin de hoofdpersoon ook een, nu ja, nogal curieuze verhouding tot de realiteit heeft. Intussen wordt de roman er alleen maar beter van, al vond ik geen bewijsmateriaal voor de spectaculaire theorie die ik onlangs hoorde: dat Issendorf eigenlijk de moordenaar van Arne is. Dat zou ook vreemd zijn. Er bestaat geen voorbedachten rade in dit boek. ‘Niet hoe de wereld is, is het mystieke, maar dat zij is’, is het cruciale Wittgensteincitaat.

Zoals ook dat zinnetje, ‘dit was nooit meer slapen’, Issendorf onbewust lijkt te ontvallen. Het is liefde, al weet hij dat zelf niet.