De ring met de parel van Ida Simons

Bij de uitreiking van de Vijverbergprijs in 1958 kreeg Marga Minco plotseling een ring met een parel van een onbekende vrouw. Het bleek de schrijfster Ida Simons te zijn, wier roman Een dwaze maagd een halve eeuw later een bestseller is.

Illustratie Nanette Hoogslag

‘Ik zie nog altijd voor me hoe ze tijdens de receptie op me afkomt, een mooie vrouw. Ze wil me iets geven, zegt ze en voor ik er erg in heb, haalt ze een ring van haar vinger en schuift die aan mijn hand. Ik kijk ernaar, het is een gouden ring met een parel. Zodra ik opkijk, is de vrouw verdwenen.’

Het verhaal van de parelring klinkt nog altijd hetzelfde als mijn moeder het vertelt. Het gebeurde bijna 56 jaar geleden, op maandag 1 december 1958, in de Haagse raadzaal na afloop van de uitreiking van de Vijverbergprijs (nu de Bordewijkprijs) voor haar debuut Het bittere kruid. Daags erna publiceerden enkele kranten over de ‘parelsurprise’ van een mysterieuze dame aan de jonge schrijfster Marga Minco. Mijn moeder, toen 38, karakteriseerde de gracieuze wijze waarop zij de prachtige ring kreeg als een scène passend in een roman van Couperus. Ze zou de geheimzinnige schenkster graag bedanken, ‘maar hoe bedank je iemand die je niet kent?’ Het Vrije Volk plaatste er een foto bij waarop ze de ring draagt.

Mijn moeder heeft de ring tevoorschijn gehaald, het kostbaar bewijs van een unieke ervaring. ‘Ik was stupéfait: „O! een parel!” riep ik, en ik draaide me om naar je vader om de ring te laten zien, maar hij stond ergens anders. Intussen zag zij kans om weg te komen. Merkwaardig, maar prachtig. Het maakte het gebaar àf.’

Door de publiciteit over het voorval kwamen wildvreemden op mijn moeder af toen ze bij een volgende gelegenheid in Den Haag was, in de Koninklijke Schouwburg: men wilde de ring zien. Het duurde niet lang of de identiteit van de schenkster werd onthuld. Bezoekers van de prijsuitreiking hadden haar herkend. Het ging om de concertpianiste Ida Simons-Rosenheimer. Zij moet in die periode de laatste hand hebben gelegd aan haar roman Een dwaze maagd, of ze had het manuscript zelfs al ingeleverd bij uitgeverij A.A.M. Stols. Dat haar boek door de heruitgave bij Cossee hernieuwde aandacht krijgt, is de aanleiding om het verhaal op te halen.

Vousvoyeren

‘Het was duidelijk dat ze in een opwelling handelde. Op dat moment in de raadzaal nam ze een beslissing, die mij overrompelde, maar misschien haarzelf ook.’ Hoezeer Ida Simons het spontane gebaar wilde laten voor wat het was, blijkt uit de brief die ze in de tweede week van januari 1959 aan mijn moeder stuurde. Ze was ziek geweest, schreef ze, en daarom antwoordde ze nu pas. De bedankbrief van mijn moeder is, voor zover we konden nagaan, niet bewaard gebleven – ze maakte in die tijd geen afschriften. ‘Ik heb haar ongetwijfeld geschreven hoe gelukkig ik was met de ring.’

De witte correspondentiekaart is op beide zijden beschreven met een blauwe ballpoint in een gelijkmatig, vrij stevig en toch vriendelijk handschrift. Op twee plekken heeft Ida Simons even een correctie aangebracht, zoals dat gaat wanneer je ontevreden bent over de duidelijkheid van een letter. Rechtsboven staat haar Haagse adres en de datum 9-1-1959 met een streep eronder. Na de aanhef ‘Lieve Marga Minco’ houdt ze de beleefdheidsvorm aan. Men vousvoyeerde in die tijd als men elkaar niet kende. De twee vrouwen scheelden negen jaar. Het deed haar oude hart goed, schreef ze, ‘dat U mijn – eigenlijk nogal onbeholpen – „afleidingsmanoeuvre” zo lief begrepen hebt, – maar verbaasd heeft het me niet.’

„Het lijkt bijna een verontschuldiging voor wat ze had gedaan,” zegt mijn moeder, „en tegelijkertijd spreekt uit het tweede deel van de zin een sterke overtuiging. Ze had een originele manier van handelen, en van schrijven.” Dan haalt Ida Simons een regel aan van Jean Cocteau uit een essay waarin de Franse dichter en toneelschrijver betoogt dat goede kunstenaars behoren tot de categorie die het kind in zichzelf in ere houden. In de volwassen wereld wordt daarmee korte metten gemaakt: ‘Il y a les poètes et les grandes personnes’. Na weer een gedachtestreepje verklaart ze zich nader. ‘Toen ik naar U toeging zag ik in de gevierde schrijfster een verdrietig klein meisje dat niet in haar droevige gedachten gevangen mocht blijven, en ik heb, gelukkig, voor een keer de afschuwelijke verlegenheid waarmee ik gestraft ben, kunnen overwinnen; de ring was niet anders dan een stuk speelgoed!’

Het beeld dat Ida Simons schetst van mijn moeder op de prijsuitreiking klopt niet. „Ik was die dag blij en trots. Mijn boek werd bekroond, er was aandacht, maar ik denk dat ze zich min of meer met mij identificeerde. Als ik het moment weer terughaal, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ze iets ontredderds had. In de werkelijkheid van haar verbeelding was er een overeenkomst tussen ons, waardoor ze haar conclusie trok. Band is een te sterk woord, het is een vorm van herkenning, een gelijkgestemdheid. Het was nog niet zo lang na de oorlog, moet je nagaan. De hele toestand uit die tijd speelde mee, dat denk ik. Ik weet het wel zeker. Ze stond daar in die zaal en had het idee dat ze iets moest doen, niet zomaar kon blijven staan.

Ernst

Ida Simons eindigt haar brief met een uitroep: ‘Maar nu wil ik hierover ook nooit meer iets horen’. De laatste vier woorden heeft ze onderstreept. Het was haar ernst, want in het vervolg van de zin waarschuwt ze – gemoedelijk weliswaar – dat het ook zal gelden voor wanneer ze elkaar nog eens ontmoeten, ‘wat in een klein land als dit zeker wel eens zal gebeuren’. Geluk en succes wenste ze mijn moeder van harte toe op joodse wijze ‘„tot 120 jaar!” Uw Ida Simons.’ Achter haar naam zette ze een punt. Resoluut.

Vroeg in de lente van 1959 verscheen de roman Een dwaze maagd. Van dezelfde recensenten die twee jaar daarvoor het debuut van Marga Minco hadden ingehaald oogstte Ida Simons voortreffelijke kritieken. Eerder had ze twee boeken geschreven die nauwelijks aandacht hadden gekregen in de pers. In 1946 een bundeltje verzen Wrange oogst, opgedragen aan de vrouwen en kinderen van drie oorlogsgevallenen: een soldaat uit de meidagen, een krijgsgevangene en een verzetsman. Tien jaar daarna publiceerde ze onder het pseudoniem C.S. van Berchem Slijk en sterren, twee novellen. Vooral ‘In memoriam Mizzi’ leest als een voorbode voor wat ze zal bereiken in haar gave roman. Het is een absurdistisch verhaal dat zich – zonder aanduidingen – afspeelt in Westerbork en Theresienstadt.

De beroemde violist Sam Swaap (1888-1971), voor de bezetting concertmeester van het Residentie Orkest, publiceerde in augustus 1946 een artikel over de lotgevallen van joodse musici tijdens de oorlog. Hij noemt hierin onder vele anderen Ida Rosenheimer, met wie hij al vóór de bezetting had opgetreden. Ze heeft net als hij gespeeld in kamp Barneveld waar ze met haar man en zoon vanuit Den Haag naartoe moest, en daarna ook in kamp Westerbork, ‘waar geruime tijd een volledig symfonieorkest’ aanwezig was. ‘Voor vele toehoorders was dit de laatste herinnering op muzikaal gebied’, noteerde Swaap met een ijzig gevoel voor understatement. Beiden kwamen in Theresienstadt terecht en ook daar hebben ze gespeeld. Snel na hun terugkeer uit de oorlog heeft Ida Simons enkele keren recitals van Swaap begeleid. Uit recensies komt naar voren dat het haar toen niet goed af ging. In de loop van de jaren vijftig trad ze niet langer op.

Eind december 1959 schreef Ida Simons mijn moeder een tweede brief. Het verschil in stemming met de eerste brief is opvallend. Haar handschrift, nu in zwarte ballpoint op een enkele zijde van een vel postpapier, oogt minder stevig. De letters neigen niet meer. Zelfs de ondertekening staat rechtop. Opnieuw ging het om een antwoord. Ze reageerde direct toen mijn moeder haar de pas verschenen verhalenbundel De andere kant opstuurde: ze had het al gekocht, en gelezen. ‘Ik zou over ieder verhaal afzonderlijk heel graag en heel lang kunnen doorzeuren, maar dat bespaar ik U.

Nogmaals: heel veel dank;

Hopelijk gaat het U en de Uwen in alle opzichten naar wens

Wees zeer vriendelijk gegroet’.

Ze ondertekende met ‘Uw getrouwe, oude „fan” Ida Simons.’

Hun namen staan vermeld tussen ruim veertig andere schrijvers in een aankondiging voor het slotfeest van de Boekenweek op 2 april 1960 in de Rotterdamse Bijenkorf. „Was ze daar wel? Ik zou het me hebben herinnerd. Voor zover ik weet heb ik Ida Simons niet meer gezien.”

Ida Simons overleed op 27 juni 1960. Ze was 49. In zijn antwoord op de condoleancebrief van mijn moeder betreurt David Simons het dat de twee vrouwen elkaar niet vaker hebben ontmoet. Hij eindigt met de zin ‘Ik weet zeker, dat U elkaar goed zoudt hebben verstaan.’

Het geschenk van Ida Simons-Rosenheimer zit in een klein juwelendoosje. Alleen bij bijzondere gelegenheden draagt mijn moeder de ring met de parel en dan vertelt ze het verhaal opnieuw. „Het klinkt gek, maar het was net een sprookje: een toverfee verschijnt, ze doet iets moois en ze verdwijnt weer even plotseling. Het was een eenmalige gebeurtenis. Iets wat je maar één keer in je leven overkomt. Zo speciaal moest het blijven voor mijn gevoel. Daar mag niets meer bijkomen, anders is het effect weg.”