De hele Catalaanse keuken komt in één lange maaltijd voorbij

Tijdens de slag bij het Tsjechische Kolín in 1757 moet Frederik de Grote zijn vluchtende soldaten hebben toegeroepen: ‘Vervloekte rakkers, willen jullie eeuwig leven?’ Misschien had de Catalaanse schrijver, journalist en avonturier Josep Pla (1897-1981) die gevleugelde uitdrukking in het achterhoofd, toen hij zich beklaagde over de moderne eetgewoonten. ‘Bloeddruk, cholesterol, alle grote mysteries van het menselijk lichaam,’ zo schrijft hij in het nu vertaalde boek Wat wij aten. ‘Deze keuken verbiedt een heleboel dingen. De mensen zijn geobsedeerd door het idee van het eeuwige leven.’ Dat hij zich daar zelf weinig om bekommert blijkt uit de daaropvolgende verzuchting over ‘tijden zoals nu, waarin oud worden zo tragisch is vanwege de enorme instabiliteit’. Pla schrijft dat in het begin van de jaren zeventig. Het Franco-regime loopt op zijn einde, maar niemand weet wat er daarna komt. Pla zelf blikt, als de conservatief die hij altijd is geweest, liever achterom. In dit boek vooral naar de eetgewoonten van zijn Catalaanse plattelandsjeugd.

Wat wij aten is opgebouwd uit ruim tachtig column-achtige stukjes waarin Pla losjes wegmijmert over ‘onze oude vertrouwde keuken’, zoals het eerste hoofdstuk heet. Vlees, vis, ham, lam, kip, duif, paddestoelen, mayonaise, wild, eieren, aardappelen maar ook wijn, koffie en sigaar: alles komt voorbij in een volgorde die het boek tot één lange maaltijd maakt. Dat Pla daarbij vooral ingaat op de keuken van zijn geliefde Empordà, de Catalaanse streek die hij in zijn culinaire, cultuurantropologische en journalistieke boeken beroemd maakte, zal niet verbazen. Hij was er al vóór zijn dood de belichaming van. De grenzen van zijn culinaire belangstelling vallen min of meer samen met die van Catalonië, voor de taal en literatuur waarvan hij van onschatbare betekenis is geweest. Af en toe haalt hij ook herinneringen op aan Parijs en andere hoofdsteden waar hij als dagbladcorrespondent werkte.

Lyrisch kan Pla worden bij sommige ervaringen van het gehemelte, vooral wanneer hij daarin de smaken van zijn jeugd terugvindt. Op zo’n moment wordt hij een meeslepende culinaire gids die eetlust en nieuwsgierigheid opwekt. Maar lang niet alles bevalt hem. Haastig verorberd eten, voedsel uit blik, een te licht ontbijt – Pla knort er onbekommerd op los en een tijd lang is dat vermakelijk. Maar na zo’n honderd, pagina’s begint die afwisseling van particuliere voorkeuren en mopperkonterij te vervelen. Te vaak herhaalt Pla zich, dan weer spreekt hij zichzelf kras tegen. Met heimwee denk je terug aan zijn magnifieke memoires in Het grijze schrift. Zo’n twintig jaar geleden verscheen er in de reeks Privé-domein een genereuze bloemlezing. Net als Wat wij aten werd deze vertaald door Adri Boon, die een verbluffende woordenrijkdom aan de dag legt in het weergeven van Pla’s culinaire idioom. Had hij dit nu verschenen boek ook mogen terugsnijden tot de helft dan was het niet aan verveling ten offer gevallen.