Wunderkammers vol giechelbrille

Over herman de vries; Wunderkammers; Paulien Cornelisse; de Appel: Curiosity.

Dus herman de vries vertegenwoordigt Nederland volgende zomer, op de 56ste Biënnale van Venetië, met een project dat hij ‘to be all ways to be’ noemt. herman de vries, 82, hoort tot de Nulkunstenaars, een fascinerende groep Nederlandse kunstenaars uit de jaren zestig. Ze worden herontdekt: in september komt het Guggenheim in New York met een overzichtsexpositie van hun werk.

Hij werd aangewezen door een jury van het Mondriaan Fonds. En dat moet niet anders. De Biënnale is te belangrijk om onder te brengen bij de luim van één onverklaard benoemde autoriteit – het klinkt vreemd, maar zo troebel ging het tot 2011. Dit is pas de tweede keer dat een jury kiest, uit vijf kunstenaars.

Er wordt gemord. Maar waarom? Liggen die andere vier nou werkelijk als gefrustreerde verliezers in de hoek? Zoiets suggereerde een bezorgde curator. Nog los van de vraag of het stoer is om argumentloos door een kunstbobo beroepen of genegeerd te worden en los van mijn overtuiging dat geen kunstenaar beter wordt van een behandeling als bevend riet – het woord verliezen slaat nergens op. De voorgestelde kunstenaars zijn allen goed, anders hadden ze die laatste ronde niet gehaald. En ze verschillen totaal, hun werk varieert van hermetisch tot emotioneel geladen tot provocatie. Dat kan. Dat moet. Dat echoot de rijkdom van de kunsten en uit die weelde kiest de jury de momenteel meest urgente. Want dat is wat ‘Venetië’ kenmerkt.

Om het jaar storten zich tienduizenden internationale bezoekers in de Venetiaanse beeldende-kunstshowcase op wereldschaal. Hier gebeurt het, denk je. En ja, dat is zo. En met enorm effect. De vorige biënnale haalde de Wunderkammer uit de mottenballen, onder de titel Il Palazzo Enciclopedico. En zie, in de Europese musea regende het de laatste twee jaar Wunderkammers: door kunstenaars ingerichte rariteitenkabinetten met wonderbaarlijkheden die zich, ondanks zichzelf, ontpoppen als kunstwerken. Zo zweepte cabaretière Paulien Cornelisse de studenten van haar gastcolleges voor de TU Delft op tot het samenstellen van hun persoonlijke Wunderkammers. Het hoogtepunt was de studente technische natuurkunde. Als vrouw in dat vak bekeken als een rariteit, richtte zij haar rariteitenkabinet in met haar klasgenoten, allen vrouwvrezende nerds. Bij de presentatie zie ik dat Cornelisse haar studenten toevoegt aan haar éígen Wunderkammer. Ze praat over hen in vertederde verbazing – het alfa en het omega van het genre.

Vorige week ging de Appel, dat lekkere (excuus! maar zo voel ik het) kunstcentrum in Amsterdam, los met de tentoonstelling Curiosity. Een en al Wunderkammerkunst. Met een hilarisch Monster-van-Loch-Nessproject van Gerard Byrne (dat eigenlijk gaat over de macht van het beeld). Met het St. Bernhardschaap en de Pinguinpauw, de samengestelde opgezette dieren waarmee Thomas Grünfeld de wetten van de evolutie bevraagt.

En ik val als een blok voor de giechelbrille van Nina Katchadourian en haar smartphonefoto’s op basis van wat je in een vliegtuig krijgt of vindt. Airplane found art met gewiekste foto’s van bordjes, kussentjes, koekjes (twee froufrous vertonen een opmerkelijke gelijkenis met de Twin Towers), opgepropte truien (dat zijn altijd gorillaportretten), nu ja van alles. Het krankzinnigst is haar serie Lavatory Self-Portraits in the Flemish Style: het ene ‘middeleeuwse’ vrouwenportret na het andere, met kragen en hoofddeksels van handdoekjes en wc-papier plus Katchadourians vermogen om die uitgestreken bleekgezichten te imiteren. Hoezo?

Het antwoord zit in de titel van de expositie. Curiosity. Dat telt nieuwsgierigheid op bij curiositeit. De uitkomst van die som is altijd ongerijmd en maakt alert. Wat zie ik daar? Wat verbergt het? Wat kan ik daarmee? En waar leidt dat dan toe? Het zijn de oervragen.