Column

We weten te weinig van 1,3 miljard Chinezen

Hoe vat je een land van 1,3 miljard inwoners – de bevolkingsomvang van een continent – in simpele cijfers? Antwoord: niet, of nauwelijks. China drukt een steeds zwaardere stempel op de wereldeconomie, westerse bedrijven zien er hun nieuwe markt en internationale beleidsmakers maken zich toenemend zorgen over de gevolgen van een kredietimplosie op het internationale financiële systeem.

Een eendagsgriepje werd eergisteren bestreden met het lezen van Myth-busting Chinese Numbers: Understanding and Using Chinese Statistics, door de Britse econoom en marktonderzoeker Matthew Crabbe die al meer dan twee decennia in het land woont. Het werk, inmiddels toegevoegd aan de inmiddels legendarische bibliotheek van Tamminga & Schinkel, is een feest om te lezen. Voor de liefhebber dan.

Crabbe geeft een uitgebreid exposé over welke statistieken aannemelijk zijn, welke niet te vertrouwen en welke te allen tijde moeten worden vermeden. En passant leert de lezer bij over de eigenaardigheden van een economie die zich lastig laat vangen.

Voorbeelden te over: de rapportages uit de provincies over hun regionale bbp telt op tot 110 procent van wat de centrale overheid zelf rapporteert. Lokale bestuurders overdrijven, onder het eeuwenoude motto ‘De bergen zijn hoog, de keizer is ver weg’, de omvang van de economie met een factor die even groot is als de totale provincie Guangdong. De Chinese detailhandelsverkoop is groter dan de consumptieve bestedingen, (huh?), hetgeen Crabbe al een tijd geleden deed concluderen dat de consumentenmarkt voor goederen en diensten misschien wel de helft kleiner is dan iedereen denkt. Het kan een reden zijn waarom veel westerse ondernemers een veel te rooskleurige kijk hadden op hun vooruitzichten, en teleurgesteld afdropen. Veel bedrijven hebben drie boekhoudingen, aldus Crabbe. Een officiële, die hun omzet en winst onderschat (belastingen). Een voor hun klanten en geldschieters, die de zaak juist overschat (goede sier). En een correcte, voor zichzelf.

Zo zijn er talloze voorbeelden, van creditcardschulden tot de omvang van de middenklasse. Van 7.000 Volvo’s die zowel niet als wel zijn verkocht, tot de totale hoeveelheid schuld in de economie – 205 procent van het bbp? Nee, 221 procent. Of toch 290 procent?

Het aardige van Crabbe is dat hij niet overal per se kwade opzet vermoedt. Althans: niet bij de beleidsmakers die alles in goede banen proberen te leiden – al was het maar voor het behoud van het politieke systeem zelf, of nu sprake is van een vrije democratische samenleving of van een dictatuur. Al zullen in een minder vrije samenleving veel van die data als geheim of gevoelig worden bestempeld.

Er lijkt in veel gevallen eerder sprake van overmacht en systeemfouten. Het samenstellen van een redelijk accuraat beeld van alle transacties en economische handelingen in een maatschappij met zo veel inwoners kost tijd en moet zich ontwikkelen. En als deze cijfers er over een tijd zullen zijn, dan duurt het nog lang voordat zij werkelijk nut krijgen. Want het opbouwen van betrouwbare tijdreeksen op basis waarvan beslissingen kunnen worden genomen kost nog eens jaren.

Tot die tijd blijft het behelpen, ook voor de Chinese autoriteiten. Dat is riskant. Want, het is al vaker gezegd, de kans dat een jonge economie zich lineair ontwikkelt zonder tijdelijke terugval, crisis of recessie, is verwaarloosbaar. De tekenen van oververhitting, met name op de kredietmarkt, hopen zich op. En dan is het best eng niet te weten wat de Chinezen, en ons, straks kan overkomen.