‘Soleren doe je ook met anderen’

Trompettist Ellister van der Molen draaide Art Blakey grijs.

‘Een van de eerste jazz-cd’s die ik had was Art Blakey & Clifford Brown at Birdland Club. In Once in a While soleert Brown met zo’n mooie sound, dat was het moment waarop ik dacht: zo moet een trompet klinken. Ik was vijftien, ik had al wel veel jazz gehoord, maar deze heb ik grijs gedraaid. Het cassettebandje waar ik de cd op had overgenomen stond op auto-repeat in mijn walkman. De solo straalt je tegemoet. Het is een ballad, hij durft breekbaar te zijn, maar hij klinkt vooral heel krachtig. Hij zegt: ‘Hier ben ik’. Ik kan die solo zo zingen. Het is voor mij onmogelijk om dat stuk te spelen zonder eruit te citeren.

„De trompet is eigenlijk geen fijn solo-instrument. Elke dag moet je een draak temmen, het is hard werken. Alle trompettisten wereldwijd zijn daarom bij voorbaat al vrienden, we snappen elkaar. Het is een fysieke uitdaging om met die drie ventielen een goed geluid te produceren, je doet alles met lippen en ademhaling.

„In mijn spel is soleren uiteraard belangrijk, maar je doet dat met anderen. Het is leuk om elkaar uit te dagen, het de ander moeilijk te maken. Dat kan bijvoorbeeld door melodisch of ritmisch iets aan te reiken waar een ander mee verder moet. Het is een gesprek. Als ik een hele lange noot speel, is het logisch dat de pianist wat meer doet, als ik heel druk speel, zal hij wat rustiger zijn.

„Met mijn kwartet spreek ik nauwelijks iets af over de solo’s. Het zijn zulke goede muzikanten, die hoef ik niet te sturen. Tegen de tijd dat iemand denkt, ik ben nou wel uitgesoleerd, is kort oogcontact genoeg om dat te begrijpen. Soleren is improviseren. Bij bigbands worden solo’s nog wel uitgeschreven, maar wij doen dat niet, alles is improvisatie. Welke kant het op gaat, is sterk afhankelijk van het samenspel. Maar ook van een stemming, van het publiek, van omstandigheden. Als het onweert, klinkt de muziek anders dan wanneer iedereen net terugkomt van een zomerse picknick.”