Participatie is geen doel maar bijvangst, zegt Mark Rutte

Burgers willen zelf aan de slag. Daar moet de overheid zich niet mee bemoeien. Dat scheelt ook geld.

Denken Nederlanders nu al bijna een jaar lang dat ze van het kabinet-Rutte II moeten ‘participeren’ in een ander soort samenleving? En dat de grote hervormingen van het afgelopen jaar – in werk, zorg, pensioenen – bedoeld zijn om dat voor elkaar te krijgen?

Misverstand, zei premier Mark Ruttte (VVD) gisteravond in de Tweede Kamer. Op aandringen van vooral de ChristenUnie kwam hij daar, een heel parlementair jaar later, uitleggen wat in september was bedoeld met de belangrijkste boodschap uit de Troonrede: dat Nederland verandert in een participatiesamenleving.

Maar het kabinet vindt zo’n soort samenleving helemaal „geen na te streven heilstaat”. „Sterker nog”, zei Rutte, „wij roepen de samenleving zelfs niet op om te participeren.” Het begrip was alleen een „feitelijke constatering”: het probleemoplossend vermogen van burgers wordt groter, ze worden zelfstandiger en verwachten niet meer hetzelfde van de overheid als vroeger. De hervormingen en decentralisaties zijn bedoeld om daarop „aan te sluiten”. Dat je er ook fors mee bezuinigt, is „bijvangst”.

Veel weerstand riep hij er niet mee op. Ook al was het debat over de participatiesamenleving begonnen met forse kritiek op de Troonrede-boodschap: van de ChristenUnie, D66, CDA, GroenLinks, SP en ook, een beetje, van de SGP. Was de participatiesamenleving een „goedkoop trucje” om het begrotingstekort terug te dringen (ChristenUnie-leider Arie Slob)? Kon het kabinet niet bedenken dat je zoiets niet „van bovenaf oplegt” (D66-leider Alexander Pechtold)? Had het idee een „ideologische basis” of was het een loze „leus” (Sybrand van Haersma Buma, CDA)?

Ruim voordat Rutte zelf aan het woord kwam, waren de partijen al onderling in een ideologisch debat terechtgekomen. En zo stond, op de op één na laatste dag van het parlementaire jaar, Van Haersma Buma zijn ideeën over de middenklasse als ruggengraat van de samenleving en de behoefte aan een krachtig gezinsbeleid te verdedigen tegenover Pechtold. De D66’er op zijn beurt kreeg uitgebreid de kans om uit te leggen dat het individu de basis is van het samenleven, omdat elk mens „intrinsiek de neiging heeft om samen te werken”. De ‘naaste’ van het CDA, zei Pechtold, bestond ook al vóór het jaar nul. En: „De mens is, als je het tot de kern wilt terugbrengen, een kuddedier.”

Bij de SP had fractievoorzitter Emile Roemer, die een optreden had in een voetbalprogramma van RTL, het debat overgelaten aan Kamerlid Sadet Karabulut. Zij kwam de grote ideologische gedachten verstoren met voorbeelden uit de, zoals zij het noemde, „zoek-het-maar-uit-maatschappij” van Rutte: over ouderen die worden gedwongen om naar een ander verzorgingstehuis te verhuizen of Ruttes buurman die op een dag misschien wel de rug van Rutte zou moeten wassen.

Dat irriteerde PvdA-leider Diederik Samsom. Het was een „karikatuur” en Karabulut moest stoppen met „die bangmakerij”. Zíjn vergezicht: een overheid die „minder lomp” is, de „helpende hand” uitsteekt als het nodig is. Hij spreekt zelf liever niet van een participatiesamenleving maar van „zorgzame samenleving”.

Rutte zag de maatschappij als „driehoek”: in de ene had je de participatiemaatschappij „als feit”, in de andere „het bezielend verband waar wij allemaal naar streven” en in de derde de „normen en waarden” die moeten worden „ingebed” in de maatschappij. Over die driehoek kwamen geen vragen. De politieke leiders waren tegen middernacht vooral tevreden over zichzelf. „We spreken in dit huis veel te weinig over wat ons drijft”, zei Buma. „Een mooi debat”, vond Slob.