Tibetaan overleeft ijle berglucht dankzij gen van ‘oermens’

Tibetanen kunnen zonder gezondheidsproblemen in ijle berglucht leven dankzij een bijzondere genvariant. Nu blijkt dat dit gen afkomstig is van een mysterieuze uitgestorven mensachtige, de Denisova-mens. Dat maken genetici vandaag bekend in Nature.

De Tibetaanse genvariant (van het gen EPAS1) tempert de aanmaak van rode bloedcellen. De meeste mensen maken op grote hoogte juist méér rode bloedcellen aan. Het bloed kan daardoor meer zuurstof transporteren. Maar al die extra bloedcellen maken het bloed ook stroperig en dik. Een langdurig verblijf in de bergen kan daarom chronische bergziekte geven, met hoofdpijn, duizeligheid en hartkloppingen tot gevolg.

Tot nu toe dachten onderzoekers dat de Tibetaanse genvariant een recente aanpassing was aan het leven op grote hoogte, die ontstond nadat Tibetanen zich van de Han-Chinezen hadden afgesplitst.

Maar de verschillen zijn daarvoor te talrijk, zeggen de genetici nu: de Tibetaanse genvariant telt maar liefst 95 unieke mutaties. Bijna al die mutaties komen ook voor in het DNA van de mysterieuze Denisova-mens. Deze uitgestorven mensen waren verwant aan Neanderthalers en leefden 40.000 jaar geleden nog in Siberië, op de grens van Mongolië, Rusland, Kazachstan en China. Van de Denisoviërs is nooit een skelet gevonden, alleen een tand, vingerkootje en teenbeentje. Die resten waren goed genoeg bewaard gebleven om DNA uit te isoleren.

Voor dit onderzoek bepaalden de onderzoekers de volgorde van het gen bij 40 Tibetanen en 40 Han-Chinezen. Alle Tibetanen hadden het gen en geen enkele Chinees. In een database vonden de genetici daarna twee Chinezen die het gen ook hadden. Waarschijnlijk had een verre voorouder van Han-Chinezen en Tibetanen seks met een Denisoviër en kwam het gen zo de populatie in. Onder Chinezen bleef het gen daarna zeldzaam. Onder Tibetanen werd het juist geselecteerd, toen zij op grote hoogte gingen leven.