Nieuwe wet zorgt slechts voor rondpompen van flexwerkers

Omdat flexwerkers eerder recht krijgen op een vast contract worden ze eerder ontslagen en naar elders gestuurd, aldus Paul Haarhuis.

Met de nieuwe Wet Werk en Zekerheid die vanaf 1 januari 2015 in twee fasen ingaat, denkt het kabinet de sociale ongelijkheid tussen flexwerkers en mensen met een vast contract te verminderen. Maar de wet creëert slechts schijnzekerheid en zal niet zoals gehoopt tot meer vaste banen leiden, maar eerder tot het ’rondpompen’ van arbeid.

Minister Asscher is blij. Hij noemt de nieuwe wet een ‘broodnodige softwarerelease voor de arbeidsmarkt van de toekomst’. Passend verwoord, want softwarereleases kunnen rare kuren vertonen. De overheid kan het weten… En zo zal het ook gaan met de nieuwe Wet Werk en Zekerheid.

Het is eigenlijk verbazingwekkend dat het kabinet – nu de economische werkelijkheid dwingt tot steeds verdergaande flexibiliteit – bedrijven gaat verplichten sneller mensen in vaste dienst te nemen. Asscher moet niet vreemd staan te kijken dat er bij ondernemend Nederland al openlijk wordt gesproken over ‘de mazen van de wet’ en hoe daar doorheen te glippen. In plaats van iemand straks twee jaarcontracten te geven, waarna je hem of haar in vaste dienst moet nemen of afscheid neemt met een transitievergoeding, hoor ik al speculeren over contracten voor één jaar en tien maanden. De nieuwe wet zorgt dat bedrijven flexibele arbeid gaan ‘rondpompen’ ofwel dat de ene werknemer na één jaar en tien maanden voor een andere flexibele kracht wordt ingeruild en zelf ook (gedwongen) doorstroomt naar een andere werkgever.

Dit is niet wenselijk, maar onvermijdelijk omdat bedrijven zo wendbaar mogelijk willen zijn om concurrerend te blijven. Vergroting van het aantal flexwerkers is een trend die niet meer te keren valt, en het kabinet zwemt dus tegen die stroom in.

Flexibele krachten worden allang niet meer ingezet bij ‘piek en ziek’, het is nu een weloverwogen strategische keuze van bedrijven om een steeds groter deel van hun arbeidscapaciteit uit flexwerkers te laten bestaan. Dat werd onlangs ook onderstreept in een onderzoek van TNO in opdracht van de ABU, de branchevereniging van uitzendbureaus. Het percentage van 30 procent flexwerkers in 2020, waar die studie gewag van maakt, ligt in lijn met de ontwikkelingen die wij zien.

We leven en werken in een 24-uurs economie en bedrijven worden gedwongen maximaal wendbaar te zijn. Anders heeft straks niemand in Nederland meer werk.

De wetgever had zich van een andere vraagstelling moeten bedienen. Niet: hoe krijgen we meer mensen in vaste dienst? Maar: wat zijn nou écht de knelpunten die de sociale ongelijkheid tussen mensen met een vast contract en flexwerkers in stand houden? En dan heb je het ineens over hele andere problemen. Bijvoorbeeld over het feit dat de hypotheekwet nog te weinig dwingend is voor banken. Flexwerkers moeten gemakkelijker een eigen huis kunnen kopen. En de sociale wetgeving moet ook worden verbeterd. De kloof tussen ‘flex’ en ‘vast’ wordt op dit punt overigens straks wel wat kleiner door de invoering op 1 juli 2015 van een verplichte transitievergoeding na twee opeenvolgende jaarcontracten, maar dat zal (nog) niet genoeg zijn om de sociale ongelijkheid weg te nemen.

Die ongelijkheid blijft dus gewoon bestaan, ook na de invoering van de nieuwe Wet Werk en Zekerheid. En zo lang dat zo is, blijven we in Nederland de vaste baan idealiseren, terwijl die onderhand in de economische werkelijkheid van vandaag een dinosaurus wordt. Met uitsterven bedreigd.