Hij liet de communisten weer besturen in A’dam

Harry Verheij (1917-2014)

Als pragmatisch communist botste hij met CPN-chef De Groot, als wethouder overwon hij de weerstand van de Amsterdamse PvdA.

Foto Jac. de Nijs / Anefo

De laatste 25 jaar van haar bestaan had de Communistische Partij van Nederland (CPN) een gedegen bestuurlijk renommée. De man die de CPN afhielp van haar oude landverraderlijke imago, was de Amsterdamse wethouder Harry Verheij. Hij overleed maandag op 97-jarige leeftijd.

Verheij, een keurig in de pas lopende maar ook pragmatische communist, werd in 1966 de eerste wethouder die de CPN weer mocht leveren sinds haar isolement na de sovjetcoup in Tsjechoslowakije van 1948. Een kwart eeuw lang bestuurde de CPN daarna bijna onafgebroken mee in Amsterdam en andere gemeenten.

Dat Verheij toen wethouder kon worden, had met twee dingen te maken. De Koude Oorlog begon wat aan onverzoenlijke scherpte te verliezen, en de andere factor was Amsterdams. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1966 had de PvdA, ondanks haar moderne lijsttrekker Ed van Thijn, een nederlaag geleden. Nog geen twee weken later was de stad het toneel van rellen; bouwvakkers die geen lid waren van een erkende vakbond, vaak communisten, werden gekort op hun vakantiebonnen. Het oproer draaide uit op de bestorming van het gebouw van De Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal.

In de tuin van de burgemeesterswoning overlegde de PvdA-top. Volgens PvdA-wethouder Roel de Wit (1927-2012) werd daar een opzetje besproken: als de CPN de bouwvakkers naar huis kon praten, was de PvdA bereid een communist in het college te tolereren. Verheij werd wethouder.

Maar de CPN-leiding – dat wil zeggen partijchef/erelid Paul de Groot – vertrouwde hem niet helemaal. Verheij had in 1958 weliswaar in een conflict over de partijkoers na een rede van Stalin de kant gekozen van De Groot, maar zijn gebrek aan scherpslijperij ging De Groot allengs minder bekoren. De Groot liet zelfs geruchten circuleren dat Verheij in de oorlog iets te maken had gehad met zwarthandel – een beproefde methode om verzetsstrijders alsnog verdacht te maken.

In het geval van Verheij zat er helemaal een perverse kant aan deze interne strijdmethodiek; hij ontleende zijn status en gezag namelijk bij uitstek aan de oorlog. Zijn voornaam – hij heette eigenlijk Arie – ontleende Verheij aan zijn clandestiene bestaan tijdens de Bezetting. Hij speelde een belangrijke rol bij de Februaristaking van 1941 en later ook in het verzet in Rotterdam.

Een doordesemde ideoloog was Verheij echter niet, eerder een organisator en netwerker. Als wethouder profiteerde hij van deze kwaliteiten. Drie termijnen was Verheij wethouder voor volksgezondheid, sport en jeugdzaken. Bij het AMC, het academische mammoetziekenhuis dat Verheij niet had verzonnen maar wel moest opstarten, en het gemeentelijke Slotervaartziekenhuis werd hij op handen gedragen. Nog tijdens zijn wethouderschap werd er een sporthal naar hem vernoemd.

De PvdA liet al snel haar angst voor deze communist varen. Omgekeerd gebeurde hetzelfde. Verheij zei het tegen ex-partijgenoot Ger Verrips voor diens CPN-geschiedenis Dwars, duivels en dromen zo: ook het communistische beeld van de maatschappij bleek een „karikatuur van de werkelijkheid”.