Het zakkenvullerssyndroom

Opnieuw gaan de topinkomens bij de (semi-)overheid omlaag, als het aan het kabinet-Rutte ligt. En de salarissen van de ministers gaan „definitief”, zo staat in het deze week ingediende wetsvoorstel, niet omhoog. Dat is in overeenstemming met het regeerakkoord; het staat haaks op een advies dat het (toenmalige) kabinet al jaren geleden, in 2004, heeft gekregen.

Een commissie onder leiding van een oud-minister, de inmiddels overleden VVD’er Dijkstal, adviseerde om het ministerssalaris in twee stappen met 50 procent te verhogen, „ongeacht het economische tij”. Een politiek gevoelig advies, omdat in de Trêveszaal en elders op het Binnenhof de angst heerst voor de populistische notie dat politici alleen maar bezig zijn zichzelf te verrijken. Noem het het zakkenvullerssyndroom. Het kwam dus voorlopig niet tot een besluit

Toen het economisch tij er echt dreigend ging uitzien, liet het vierde kabinet-Balkenende in 2009 weten dat de ministers afzagen van de verhoging van hun salaris. Hoewel ze er de crisis niet mee oplosten, was dat om politiek-psychologische redenen te begrijpen.

Dat geldt niet voor het „definitief” waarmee minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) nu in het wetsvoorstel de beloning maximeert op 169.425 euro, inclusief onkosten en pensioenbijdrage. Dat wordt tevens het maximum dat topfunctionarissen in de (semi-)publieke sector mogen verdienen. ‘Definitief’ is in dit geval slechts: zolang het huidige kabinet regeert en zolang het parlement met het voorstel instemt.

Over de breedte van de semipublieke sector die onder de regeling valt, is te twisten, maar het principe dat de hoogste overheidsfunctionarissen niet meer verdienen dan een minister klinkt logisch. De minister heeft een zwaar ambt, draagt de meeste verantwoordelijkheid en kent de minste zekerheid: hij (m/v) kan zijn baan elke dag kwijtraken, zonder opzegtermijn. Het (verplichte) gebruik van een dienstauto heeft mogelijk als neveneffect dat de minister feitelijk boven het maximum uitkomt. Dat is dan alleen maar toe te juichen: hij hoort eigenlijk de best betaalde functionaris te zijn.

Want nog altijd geldt wat de commissie-Dijkstal tien jaar geleden al signaleerde: de beloning van de ministers en de topfunctionarissen was gelet op wat elders op de arbeidsmarkt wordt verdiend, onder de maat. Het kabinet heeft voor de verlaging die het nu alweer voorstelt als argument dat de salarissen zo op „een meer aanvaardbaar, evenwichtiger en meer verantwoord niveau” komen. Nadere definiëring hiervan ontbreekt. Behalve dat het rekening houdt met „de maatschappelijke verontwaardiging over (te) hoge bezoldigingen”. Daar is dan, anders geformuleerd, het zakkenvullerssyndroom.