Column

De toiletjuffrouw moet vertrekken

Je moet het de Spoorwegen nageven: op het deugdelijk laten rijden van treinen na, doen ze er de modernste dingen. Zo kreeg station Maarssen een ‘geluidsdouche’ om „de beleving van kleine, onbemenste stations” te verbeteren. En experimenteerde de NS met synthetische oliën toen geurmarketing hot was in Japan (‘bergamot sinaasappel’ bleek favoriet, maar in ‘lavendel eucalyptus’ wilden reizigers langer rondhangen).

Nu zijn toiletjuffrouwen passé. Dat hing al in de lucht, maar gisteren kondigde Baukje Bügel, directeur retail van NS-stations, in De Telegraaf aan dat de contracten van de toiletjuffrouwen op de twintig grote stations eind dit jaar niet meer worden verlengd – kleinere stations volgen later. De NS zoekt een grote, lees goedkopere, exploitant. Daar „kunnen” de toiletjuffrouwen voor gaan werken „als ze dat willen”. Ofwel, zoek het maar uit: het is eerder voorgekomen dat hun salaris er bij zo’n exploitant met eenderde op achteruitging.

Schoon en toegankelijk is voor een modern stationstoilet zó vorige eeuw: het moet van de NS een „kwaliteitsmerk” worden. Een „sanitaire topvoorziening”. Reizigers oordelen nu „te verschillend”, aangezien er zoveel „verschillende” toiletjuffrouwen zijn. En variatie, daar houden benchmarktypes volstrekt niet van.

Ik reed dus naar een groot, modern stationstoilet ergens in de Randstad. Ik gooide 50 cent in zo’n moderne gleuf, knalde zoals gewoonlijk te vroeg met mijn dijbeen tegen een modern draaipoortje en werd toen verwelkomd door de toiletjuffrouw, die net gezellig Candy Crush zat te spelen op haar tablet. Een geldschoteltje was er dus niet meer, wel een voortdurend bonken en smeken van nieuwe reizigers in hoge nood en zonder gepast geld aan dat poortje. Dat gaf de toiletjuffrouw ze dan geduldig. Ze had ook een verbandkist, een doosje tampons, een muziekje, en een Senseo-apparaat voor wie even wilde kletsen. Ze was 43 jaar en na een conflict met haar werkgever was haar al eens te verstaan gegeven dat zij niet met de pers mocht praten. Daarom noem ik haar naam en station niet.

Haar moeder was toiletjuffrouw en zelf deed ze dit al dertien jaar. En „persoonlijk” had zij „qua beleving” wel een paar puntjes bij het moderne toiletgebeuren. Ze wees op de designlampen: zó modern dat je zes weken op een fitting moet wachten als ze kapot zijn. De veel te kleine mozaïektegels: de voegen maakt ze soms schoon met een tandenborstel en tandpasta, anders „ziet het er niet uit”. De wasbakken zonder waterkering, waar het water over de grond loopt als meer dan twee mensen tegelijk hun handen wassen.

„Wie”, vroeg ze retorisch, „verzint zoiets?”

Maar het kon nog moderner. Op station Utrecht hadden haar collega’s in het onlangs geheel vernieuwde designtoilet geen waterkering én geen putje in de vloer. Wat dacht ik dat er dan bij een verstopte wc gebeurde? Poortjes hadden ze daar ook, het nieuwste type, de KABA, maar die gingen steeds kapot.

En dan moest de toiletjuffrouw dus met een speciale sleutel naar een enorme stoppenkast. „Doodeng. Het halve station lijkt erop aangesloten.”

Iets, grijnsde ze, om misschien aan te denken bij de volgende treinstoring.