De school van Oranje staat in Rotterdam

Thorbecke Voortgezet Onderwijs

In Rotterdam staat de grootste topsportschool van het land. Negen internationals van Oranje volgden daar de lessen.

In Rotterdam-Oost staat een school, in die school zijn zo’n vijftig lokalen en in die lokalen zitten de spelers van het Nederlands elftal voor het WK van 2022 in Qatar.

Dat kun je met vrij grote zekerheid zeggen, als je kijkt naar de herkomst van de Oranjespelers die nu op het WK in Brazilië voetballen. Negen van de 23 spelers uit de selectie zaten op die ene school in Rotterdam-Oost. Negen. Robin van Persie, Stefan de Vrij, Bruno Martins Indi, Georginio Wijnaldum, Jonathan de Guzman, Leroy Fer, Terence Kongolo, Daryl Janmaat en Jordy Clasie.

De school heet het Thorbecke Voortgezet Onderwijs en is de grootste topsportschool van Nederland. Van de tweeduizend leerlingen hebben er 256 een topsportstatus van sportkoepel NOC*NSF. Zij beginnen hun dag op een sportaccomodatie. School is voor in de middag.

Het Thorbecke heeft daarvoor afspraken met clubs. Niet alleen met voetbalclubs, ook in dans, tennis, zwemmen – whatever, zolang het maar sport is. Naast de foto’s aan de muren van De Vrij en Van Persie hangen dan ook portretten van sporters als Yuri van Gelder en Inge de Bruijn. Ook oud-leerlingen.

Pepijn Doesburg is 13 en zit in de brugklas van de havo én in de D1 van Feyenoord, als spits. Elke dag staat hij om half zeven op, de sporttas heeft hij de vorige avond al ingepakt. Dan eet hij vlug een paar boterhammen, fietst naar het station en wacht daar op het busje van Feyenoord dat hem naar de training brengt. Twee uur keihard trainen, en dan snel met het busje naar school om nog vier lesuren mee te pakken. Soms volgt hij een dag helemaal geen les, omdat hij bijvoorbeeld een toernooi speelt in Italië, zoals laatst.

Het kan allemaal omdat de school zich aanpast. Iedere topsportleerling heeft een persoonlijk rooster. Twintig procent daarvan is ingepland voor trainingen. Vakken als lichamelijke opvoeding worden overgeslagen en onverwachte toetsen bestaan niet: leraren moeten toetsen minimaal een week van tevoren aankondigen, zodat de sporters hun leermomenten rond de trainingen kunnen plannen. En valt de toets samen met een training, dan maakt de leraar een nieuwe versie van een toets, zodat de leerling die later kan maken zonder de opgaves van klasgenoten gehoord te hebben.

Net als van de leraar wordt van de leerling meer discipline verwacht dan op een gewone school. In de ochtenduren sporten, prima. Maar dan ’s avonds wel meer huiswerk maken. Wie zich niet aan de afspraken houdt, moet trainingen overslaan – en dat wil je niet als je vecht voor een plek op het hoogste niveau.

Voor Pepijn betekent het dat hij nauwelijks vrije tijd heeft. Komt hij om vier uur thuis, dan drinkt hij een glas fris en zit de rest van de dag aan zijn huiswerk. Heeft hij een wedstrijd in het buitenland, dan gaan de boeken mee. Hij heeft het ervoor over. Als hij elk jaar in die ene week van april maar goed nieuws krijgt. Dan is het ‘eindgesprek’ met de trainer en horen Pepijn en de andere voetballeerlingen of ze het volgende seizoen bij Feyenoord mogen blijven. Is het ‘nee’, dan is er geen toekomst meer in de sport.

Tijdens die week is de sfeer in de klas „heel gespannen”, zegt Bert Lammens, docent Nederlands in de onderbouw. Wie mag blijven? Wie moet weg? Leerlingen die niet mogen blijven, gaan vaak van school. Lammens: „Het is niet leuk om tussen leerlingen te zitten die wél bij Feyenoord mogen blijven. Vaak zoeken ze een andere school, die ook dichter bij hun huis is. Dan hoeven ze niet meer iedere dag zo vroeg op.”

Boyd Reith (15 jaar, rechtsback bij Feyenoord C1, derde jaar vwo) mocht blijven, vier van zijn klasgenoten niet. „Het kan zo afgelopen zijn, denk je dan”, zegt Boyd. „De kans dat je prof wordt, is gewoon heel klein, dat zie ik wel in.”

Dat de weg naar de top loodzwaar is, weet hij maar al te goed. Dit seizoen raakte hij geblesseerd en moest hij afgezonderd van de groep oefeningen doen met de fysio. „Het was onzeker wanneer ik weer kon spelen, ik telde even niet mee. Met tegenslagen omgaan vind ik moeilijk, daar moet ik beter in worden.”

Beter, alles moet beter. Want wie niet beter wordt, valt af. Hoe ga je met die druk om als je dertien bent?

Op het Thorbecke helpt topsportcoördinator Sonja Lagendijk leerlingen daarbij. „Aan alle kanten wordt aan je getrokken als topsporter”, zegt ze. „Ouders willen dat je het goed doet op school. De trainer wil dat je het goed doet bij de club. En vriendjes verwachten ook nog eens veel van je. Als jonge voetballer zit je voortdurend in een spagaat tussen willen presteren op het veld en moeten presteren op school.”

Lagendijk moet de jongens op de been houden. Dat betekent dat ze een jongen moest vertellen dat hij niet mee mocht naar Rusland met het Nederlands elftal van zijn leeftijdscategorie. Reden: zijn cijfers waren niet voldoende. „Dat zijn gesprekken vol tranen.” Maar de jongen haalde zijn diploma. „Hij stond bij mij in kantoor om zijn diploma te laten zien, zo trots was hij.”

Misschien wel haar meest bijzondere leerling was Oranjeverdediger Bruno Martins Indi. „Wat heeft die jongen moeten vechten. Bruno had het in zijn jeugd niet makkelijk in een Rotterdamse volkswijk.” Lagendijk sleepte hem door moeilijke momenten en bouwde een band met hem op, net als met andere internationals. Als dank brengen ze gesigneerde shirtjes bij haar langs die ze aan de muur hangt.

„Georginio [Wijnaldum] had me een shirtje beloofd als hij in Feyenoord 1 zou komen. Toen hij daar zat, bracht hij mij een shirtje uit de bekerwedstrijd tegen Roda, geweldig.”

Via Facebook houdt Lagendijk contact met de profs. „Die banden zijn heel hecht”, zegt ze. „Je hebt wat met elkaar meegemaakt.”

Pepijn is nog maar net begonnen aan de weg naar de top, en om die te halen luistert hij naar zijn opa, Pim Doesburg, die bij Oranje keepte. „Hij zegt dat hij heel veel spelers kent die het net niet hebben gered, op één dingetje. Dat ze uitgingen, of net niet genoeg met hun sport bezig waren.” Dat wil Pepijn voorkomen. „Ik heb bijvoorbeeld nog nooit een hamburger in de kantine gehaald. Dat doe ik echt niet. Ik ben bezig van mijn lichaam een sportlichaam te maken.”

Zaterdagavond kijken Pepijn en Boyd iets anders naar de kwartfinale van Oranje dan de gemiddelde middelbare scholier. Boyd: „Dan zie ik Terence Kongolo in Oranjeshirt op tv. Hij is 20, ik ben 15. Dan denk ik: bij het volgende WK zou ik daar zomaar kunnen staan.”