De Cubaanse rumba klinkt tot in Afrika op North Sea Jazz

De muzikanten uit Cuba, New Orleans en Afrika die dit jaar spelen op North Sea Jazz begrijpen elkaar instinctief. De muziek reist al eeuwenlang heen en weer, via zeemannen en slavenhandel.

Een begrafenisoptocht in New Orleans Foto AFP

Langs de boulevard van New Orleans probeert een marktkoopman de aandacht van toeristen te vangen. Hij tikt met zijn ring tegen een colaflesje en begint te zingen. Het is bijna mardi gras 2014, carnaval, de stad barst uit haar voegen. Het basale ritme dat de man tikt heet de habanera, vernoemd naar de Cubaanse hoofdstad. Als je achter zijn kraampje in de Mississippi zou springen en je mee liet voeren, zou je uiteindelijk vanzelf aanspoelen in Havana. Hij zingt een New Orleans-klassieker: de Mardi Gras Mambo.

Om jazz te kunnen spelen, zei Jelly Roll Morton al, moet je een „Spanish tinge” toevoegen aan de muziek. De pianist uit New Orleans die zichzelf de uitvinder van jazz noemde, bedoelde eigenlijk een Cubaanse klank. Of specifieker: Afro-Cubaans. Want hoewel het vreemd lijkt door de Amerikaanse boycot op Cuba die nu al ruim vijftig jaar duurt, waren Havana en New Orleans altijd twee handen op één Afrikaanse onderbuik.

De Spanish tinge die ook op North Sea Jazz te horen is, is daar getuige van. Voor de habanera hoef je niet per se naar het afscheidsconcert van Buena Vista Social Club. Bij de Preservation Hall Jazz Band hoor je de oude jazz van Morton, maar ook pianisten als Jon Batiste en Henry Butler uit Lousiana hebben Cuba in hun vingers. Zelfs als Dr. John, grootmeester van de psychedelische New Orleans-funk, zijn interpretatie van Louis Armstrong geeft, klinkt de habanera door.

Danslust

New Orleans werd gesticht door de Fransen, maar zij gebruikten het vooral als strafkamp voor criminelen en hoeren. De nonnen die erachteraan werden gestuurd konden niet voorkomen dat het een funky rovershol werd. Pas in Spaanse handen (tussen 1763 en 1803) kwam de stad tot volle wasdom, niet in de laatste plaats omdat Havana precies in die periode opbloeide door suiker, zilver en slaven. Havana was de belangrijkste haven van de nieuwe wereld en New Orleans was de ideale handels- en smokkelpartner op het vaste land.

Er was nog iets wat de twee havensteden deelden: danslust. Nergens in Amerika waren zoveel danssalons als in New Orleans, nergens in de gehele Nieuwe Wereld waren er zoveel als in Havana. De zeelieden brachten de nieuwste rages uit Parijs en Madrid, die vrijwel direct ‘afrikaniseerden’ omdat de meeste muzikanten in Havana slaven of ‘vrije kleurlingen’ waren. En diezelfde zeelieden reisden met professionele muzikanten aan boord door naar New Orleans. Ook de militaire bands van New Orleans, zo belangrijk voor de ontwikkeling van jazz, kwamen via Havana naar de stad. Het was de habanera die de danssalons domineerde, de Spanish tinge.

De jazz van New Orleans kreeg vorm op de Afrikaanse marktplaats Congo Square, de enige plek in Amerika waar slaven op zondagen hun Afrikaanse muziek en cultuur mochten vieren. Dat was een erfenis van de Spaanse en Franse slavenwetten en de reden dat New Orleans zo’n bijzondere plek inneemt in de geboorte van de Afro-Amerikaanse cultuur.

Elders in Amerika raakte Afrika steeds verder weg, zeker toen in 1807 de directe import van slaven werd verboden. Maar in Cuba, met zijn mensen verslindende suikerindustrie, ging de slavenhandel door tot 1867. Regelmatig smokkelden piraten die slaven door naar de kust van Louisiana, zodat New Orleans nog decennia lang nieuwe Afrikaanse impulsen kreeg. De veerdienst tussen de steden bleef tot in de vorige eeuw bestaan, toen de jazz al wereldwijd te horen was.

Dus als je op North Sea Jazz naar Rebirth Brass Band luistert, pure New Orleans-brass, dan hoor je Caribische ritmes. Op de setlist van funkband Galactic zou zomaar de ‘Mardi Gras Mambo’ kunnen staan die ook langs de boulevard klonk.

Afrikaanse rumba

Als muziek zich aan de wetten van de logica hield, zou het verhaal hier stoppen. Maar er is nog een plek waar de Cubaanse muziek grote invloed heeft gehad: in vrijwel heel West-Afrika.

Is het raar dat de Malinese zangeres Fatoumata Diawara zondag optreedt met de Cubaanse multi-instrumentalist Roberto Fonseca? Of dat de Afro-Cuban Messengers sterk leunen op Nigeriaanse percussie? Allerminst. Luister naar een popplaat uit Afrika en de kans is groot dat je de Spanish tinge hoort. De Afrikaanse versie van de Cubaanse rumba en salsa domineert al decennia het geluid van Congo tot Senegal. Dat komt door 78-toerenplaten die als een culturele boomerang werden teruggeslingerd naar Afrika.

Platenmaatschappij EMI had begin jaren dertig al begrepen dat opnames van de Cubaanse son het ook goed deden buiten het eiland. Op zoek naar een wereldmarkt werd in 1933 via het label His Master’s Voice een serie Cubaanse muziek uitgebracht die gericht was op de Afrikaanse koloniën. Waarschijnlijk waren de platen vooral bedoeld voor de blanke bovenklasse, maar de zogenaamde G.V.-serie werd een groot succes. Afrikanen herkenden de ritmes en de melodieën, maar vonden het tegelijk exotisch. Het bezit van zo’n internationale plaat werd een statussymbool, een blijk van kosmopolitisme.

Lokale muzikanten ‘herafrikaniseerden’ de Cubaanse muziek en speelden de melodieën op elektrische gitaar. Al snel ontstond de nog altijd populaire rumba Congolaise en in de tweede helft van de vorige eeuw kwam een uitwisseling van muzikanten tussen Afrika en Cuba op gang. Grote Afrikaanse artiesten als Youssou N’Dour uit Senegal en Salif Keita uit Mali werden in de jaren zeventig en tachtig ook buiten Afrika succesvol, onder meer door de herkenbare sporen van salsa, rumba en jazz in hun muziek.

De kracht van de Cubaanse muziek is de mix van Europa, Afrika en Amerika. Daarmee heeft Cuba een exportproduct dat zo aantrekkelijk is dat het overal te horen is, van de boulevard van New Orleans en het Congolese oerwoud tot de Rotterdamse haven.