CPB: kosten van de vergrijzing voor het eerst hanteerbaar

Het CPB constateert een trendbreuk: het probleem van de vergrijzing is opgelost. Dat is te danken aan de kabinetten die de AOW-leeftijd verhoogden en de zorg en het openbaar bestuur hervormden.

De overheidsfinanciën zijn dermate op orde gebracht dat de kosten van de vergrijzing in de toekomst hanteerbaar lijken te worden. Dat is de belangrijkste conclusie van een vandaag verschenen studie van het Centraal Planbureau (CPB) over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op de lange termijn.

De combinatie van drie belangrijke, ingrijpende maatregelen – de verhoging van de AOW-leeftijd, het snijden in overheidsuitgaven en hervormingen in de zorg – leidt zoals het er nu naar uit ziet, tot een houdbare financiering van de vergrijzing op lange termijn. Het CPB-rapport Minder zorg om vergrijzing leest als een groot compliment voor het anti-crisisbeleid dat door Rutte en zijn voorganger Balkenende in de afgelopen crisisjaren is uitgestippeld.

Het zogeheten houdbaarheidssaldo – het saldo van inkomsten en uitgaven van de overheid op lange termijn – is volgens het CPB van een tekort van 4,5 procent in 2010 (ongeveer 27 miljard euro) omgezet in een overschot van 0,4 procent van het bruto binnenlands product. Het betekent dat de overheidsfinanciën houdbaar zijn en blijven, zelfs als vanaf 2018 de collectieve uitgaven met 0,4 procentpunt zullen stijgen. Dat is positief, maar de marges zijn smal, stellen de auteurs van het vergrijzingsrapport. Omgerekend in geld is het 3 miljard euro, „een kleine en onzekere marge.”

Toch is de studie van vandaag een totaal andere, positievere boodschap dan alle vorige vergrijzingsanalyses, waarmee het CPB in 1997 begon. In de editie van 2010 – midden in de financiële crisis – waarschuwde het planbureau nog eens nadrukkelijk dat de collectieve inkomsten geen gelijke tred zouden houden met de stijgende uitgaven aan AOW en zorg. Het begrotingssaldo zou onder die omstandigheden op termijn onhoudbaar worden. De oproep die volgde – „de overheid staat voor de keuze hoe zij haar begroting houdbaar maakt, via ombuigingen of lastenverzwaring, onmiddellijk of uitgesteld” – is door de politiek opgevolgd.

Nu verwacht het CPB dat de staatsschuld rond 2080 zal zijn afgelost, waarna de overheid zelfs vermogen kan gaan opbouwen. Dat kan met recht een trendbreuk worden genoemd. En hoewel de vergrijzende bevolking – die ontwikkeling zet onverminderd door – zal leiden tot stijgende uitgaven voor AOW en collectieve zorg, is die stijging onder controle. Dit „is vooral het gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd, hervormingen in de zorg, waardoor de uitgaven aan zorg voor ouderen lager uitkomen, en lagere uitgaven aan openbaar bestuur”.

Ook aan de inkomstenkant heeft het CPB goed nieuws. De komende jaren, tot 2023, zullen de collectieve inkomsten licht dalen, daarna zet een flinke stijging in, ondanks het uitputten van de lucratieve gasbronnen in het noorden. „De stijging van belastingen en premies is meer dan genoeg om het effect van het wegvallen van de aardgasbaten te compenseren.” Dit jaar levert de aardasproductie Nederland nog ruim 11 miljard euro op.

Belangrijke oorzaak van die inkomstenstijging is de verhoging van de AOW-leeftijd, vooralsnog in kleine stapjes tot 67 jaar in 2021 en daarna gekoppeld aan de levensverwachting. Dat betekent dat meer mensen aan het werk blijven. De verhouding tussen het aantal mensen dat een AOW-uitkering ontvangt en het aantal werkenden verdubbelt in de komende decennia. Concreet: in 2010 waren er vier werkenden nodig om één AOW-uitkering op te hoesten, in 2040 zijn dat er nog maar twee.

Als altijd hebben de economen van het CPB ook dit keer een waarschuwing aan het adres van het kabinet. „Het is op dit moment onzeker of de positieve effecten op de overheidsfinanciën volledig zullen worden gerealiseerd.”