China, chaos dreigt, deel uw welvaart

De Communistische Partij van China heeft in 1989 een unieke kans tot politieke hervorming gemist. Met economische voorspoed dreigt nu onvrede onder minderbedeelden, meent Garrie van Pinxteren.

Illustratie Hajo

Niet álle Chinezen leggen zich zomaar neer bij de alleenheerschappij van de Communistische Partij van China (CPC), zo bleek in Hongkong de afgelopen dagen. Via een referendum eiste een deel van de Hongkongse burgers dat ook de brede bevolking kandidaten mag nomineren voor wie straks de hoogste leider van de Speciale Economische Regio (SAR) wordt. De CPC ziet niets in echt vrije verkiezingen: die wil Beijing-gezinde kandidaten voorselecteren. Daartegen werd fel gedemonstreerd.

Die protesten krijgen zoveel aandacht omdat ze doen denken aan de demonstraties van de studenten op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989. De omstandigheden en veel van de doelen waren toen anders, maar een aspect bleef hetzelfde. Ook toen eisten burgers meer invloed op hoe ze werden bestuurd.

De demonstraties in 1989 werden hard neergeslagen. Veel mensen in en soms ook buiten China zijn in de loop der tijd steeds stelliger gaan geloven dat de Communistische Partij van China toen een hard, maar verstandig besluit heeft genomen. De Chinese economie had in 1989 nog niet half de omvang van de Italiaanse, inmiddels is het de tweede economie ter wereld. Hoe had dat gekund als China in 1989 in chaos en burgeroorlog was vervallen?

Die kans was aanwezig: de top van de Communistische Partij van China was tot op het bot verdeeld. In 1992 gaf de voormalig leider van China, Deng Xaoping, een krachtige impuls aan economische hervormingen die alleen konden slagen omdat de situatie toen politiek stabiel was. Dat China, anders dan de Sovjet-Unie, eerst koos voor welvaart en de politieke hervormingen op de lange baan schoof, vinden velen achteraf gezien dus verstandig.

China bewees dat economische groei prima gaat onder een autoritair éénpartijsysteem. De overheid benadrukt steeds vaker dat er voor vrijwel alles een ‘typisch Chinese’ weg is. Die Chinese weg zou zich onttrekken aan wetmatigheden die bijvoorbeeld wel voor Europa en VS gelden. Wij in het Westen hebben dat idee goeddeels geaccepteerd. Daarnaast zijn we vatbaar voor de gedachte dat Chinezen wezenlijk anders zijn: mensen met andere behoeften, vaardigheden en verlangens.

Dat is echter zeer de vraag. Met het neerslaan van de protesten op het Plein van de Hemelse Vrede liet China een prachtige kans lopen. De kans om niet alleen het economische en bestuurlijke, maar ook het politieke systeem aan te passen aan moderne wensen. Binnen de CPC-top heerste er in 1989 sterke verdeeldheid: wel of niet onderhandelen met studenten. Door die verdeeldheid konden de demonstraties zo groot worden – op het hoogtepunt zo’n één miljoen demonstranten.

Uiteindelijk liet de Partij zich leiden door angst. Angst voor instabiliteit en chaos, angst om de macht te verliezen, angst voor de eigen bevolking. Die angst drijft de Partij nog steeds. Daarom werd er vorige maand ook zo streng opgetreden tegen mensen die het staatsgeweld op het Plein van de Hemelse Vrede wilden herdenken. Een angst die verhard is tot dogma. Het dogma dat de Partij haar macht alleen kan behouden als ze die met niemand van buiten deelt. Anders gaat de Partij onherroepelijk ten onder – met chaos in China en daarbuiten tot gevolg.

Groepen buiten de Partij worden wel om hun mening gevraagd, maar beslissingsmacht krijgen zij niet. Geen enkel orgaan buiten de Partij zelf kan de Partij disciplineren en noodzakelijke correcties afdwingen. Zo’n archaïsche, gesloten constructie is op den duur onhoudbaar als China de modernisering echt wil doorzetten. Een machtmonopolie binnen één partij, zonder onafhankelijke organisaties met controle op die macht, leidt juist in combinatie met economische groei tot groeiende maatschappelijke ongelijkheid en tot inefficiëntie in het gebruik van talent en kapitaal. Zij die de macht hebben binnen de Partij, trekken ook geprivilegieerde economisch rechten naar zich toe. Zij kunnen zich verrijken op een manier die voor gewone burgers niet mogelijk is. Dat leidt tot onvrede en spanningen, zeker omdat China’s burgers nu veel beter geïnformeerd en veel minder naïef zijn dan ze dat in 1989 nog waren.

China heeft zich onder leiding van de CPC op veel gebieden sterk kunnen ontwikkelen, maar in 1989 nam de top van de Partij na lang aarzelen de verkeerde beslissing. Toen had de Partij een unieke kans om nieuwe structuren te scheppen waarbinnen kon worden geëxperimenteerd met manieren om politieke macht voorzichtig te delen met andere groepen. Groepen die in principe wilwillend tegenover de CPC stonden. Dat had de Partij de kop niet hoeven te kosten. Of de Partij in de toekomst nog eens de wil en de moed zal hebben om het politieke systeem geleidelijk te hervormen, is maar zeer de vraag. En meer nog is het de vraag of zij daartoe opnieuw de kans krijgt.