Bos en Vogelaar bleven bakkeleien

„Een minister kan niet alles weten”, zei oud-minister Vogelaar over Vestia’s giftige derivaten.

Het is nooit meer goed gekomen tussen Wouter Bos en Ella Vogelaar, zoveel werd gisteren duidelijk tijdens de parlementaire enquête naar woningcorporaties. De verwijten binnen de PvdA vlogen over en weer tijdens de verhoren van de oud-bewindslieden Wouter Bos (Financiën), Ella Vogelaar (Wonen) en haar opvolger Eberhard van der Laan uit het kabinet-Balkenende IV. Een kabinet waar niet alleen de verschillende partijen, maar ook de bewindslieden van de PvdA elkaar de tent uit vochten.

Bos verklaarde gisteren dat Vogelaar zich destijds opwierp als belangenbehartiger van woningcorporaties en niet functioneerde als minister. Vogelaar zei in reactie dat Bos er niet mee kon omgaan „dat deze dame eigen opvattingen had” en haar maar „een lastige tante” vond. De relatie die zij met Bos had bestond uit eindeloos „touwtrekken en bakkeleien” over geld, over corporaties en over integratie, die zij ook in haar portefeuille had. In 2008 dwong Bos haar tot opstappen. Daar deed Vogelaar luchtig over („zo is het leven”), net als ze luchtig deed over de problemen in de corporatiesector waarvoor ze als minister verantwoordelijk was.

Vogelaar had niet geweten dat er op haar eigen ministerie een ‘toetsgroep’ was die nevenactiviteiten van corporaties beoordeelde. Een conflict met de Europese Commissie over staatssteun handelde ze bewust niet af. En ze wist niet dat er destijds al corporaties waren met giftige derivaten; de rentecontracten die Vestia een paar jaar later aan de rand van de afgrond brachten. „Je kunt niet alles weten als minister”, zei ze.

De suggestie dat zij steun van de corporaties voor haar ‘Vogelaarwijken’ uitruilde tegen mager toezicht door het ministerie, zoals in eerdere verhoren was gesuggereerd, sprak ze wel stellig tegen.

Eberhard van der Laan deed niet mee aan het moddergooien naar partijgenoten, maar noemde het eufemistisch „een voorrecht” dat hij mocht puinruimen „na jarenlang gedoe”. Want toen hij in 2008 kwam, waren er grote problemen met megalomane aankopen en integriteit bij de corporaties Woonbron en Rochdale.

Van der Laan maakte een eind aan de ongebreidelde zelfregulering in de sector, maar ook hij doorzag niet de problemen met de derivaten van Vestia. Die hadden volgens de commissie al gesignaleerd kunnen worden. Ook bleef hij voorstander van allerlei nevenactiviteiten van corporaties. Hij was fel over corporatiebestuurders en vooral Aedes. Daar kreeg hij „belachelijke” brieven van en had hij „onprettige” gesprekken mee. Maar hij stak ook de hand in eigen boezem. „Als ik zeg dat er in de sector niet goed is opgelet, kunnen zij terugzeggen dat ze op het verkeerde been waren gezet door het oordeel van het ministerie.” Want, zo werd gisteren weer bevestigd, de directeuren die altijd door het ministerie geprezen werden, waren degenen die de sector deden ontsporen.