Antiheld Jacques

Een jaar of tien geleden had ik het genoegen vrij zwaar te tafelen met de weduwe van vijfvoudig tourwinnaar Jacques Anquetil. Toen het moment me vloeibaar genoeg leek vroeg ik het haar: is het allemaal waar wat er in de loop van de tijd gezegd en geschreven is over Maître Jacques? Ze glimlachte minzaam en zei: „Bijna, het is bijna allemaal waar”. De stilte die ze inlaste voerde de spanning iets op. „Maar de complete waarheid is nog indrukwekkender”. Hoe ik ook bleef aandringen, van de nog indrukwekkender waarheid gaf ze geen splintertje prijs.

Ik moest aan de ontmoeting denken toen ik gisteren in mijn regionale ochtendkrant een prachtig artikel las dat als kop droeg: „Het roerige liefdesleven van antiheld Maître Jacques”. Maar het artikel bracht me ook in verwarring. Met welke weduwe had ik tien jaar terug in godsnaam getafeld?

Waarschijnlijk was het Dominique, de echtgenote van zijn stiefzoon Alain bij wie hij een zoontje verwekte dat Christophe werd genoemd. Misschien was het Janine, de vrouw die hij had afgetroggeld van zijn lijfarts. Annie kan het ook geweest zijn, de dochter van Janine. Toen Janine onvruchtbaar bleek schijnt Maître Jacques te hebben uitgeroepen: „Desnoods verwek ik een kind bij een hoer”. Waarop Janine, in paniek, Annie naar voren schoof als ontvlambare baarmoeder. Annie, aanvankelijk verbouwereerd door de psychische manoeuvre, stemde ten slotte in. De tiener was toch al verliefd op haar stiefvader, en zo kwam Sophie ter wereld die later het ontembare verlangen van haar vader probeerde te duiden in het boek Pour l’Amour de Jacques.

Ik herinner me een documentaire over Maître Jacques – de wielrenner. Hij werd neergezet als superintelligent, goddelijk begaafd en al even goddelijk recalcitrant. Om de dopingcontroles die midden jaren zestig werden ingevoerd moest hij lachen. Hij pieste alleen in een potje wanneer hij er zin in had. Het was de periode dat de amfetamines een zonnetje in het hoofd ontstaken. Wielrennen was volgens hem zo saai dat je wel moest „pakken” om op een fatsoenlijke manier het vak uit te oefenen. President Charles de Gaulle viel hem bij in de opvatting.

In het begin van de jaren tachtig had Jacques een rubriek in de grote sportkrant L’Équipe . Hij beantwoordde prangende vragen van lezers tijdens de Tour de France. Ik las het rubriekje elke dag, en omdat ik als jonge deelnemer in de Tour zat, kwam ik hem elke ochtend voor de start wel ergens tegen. Maître Jacques was niet zo gecharmeerd van mijn kwaliteiten. In de krant had hij me al omschreven als een fletse Hollander

Op een dag gaf hij me een urgent advies: de spuit erin, en flikken die controle. Ik boog het hoofd, nederig. De aanvechting me in het stof te werpen voor de meester kon ik ternauwernood onderdrukken.