Veel meeuwen

Het begint een bedenkelijke gewoonte te worden. In korte tijd is het al enkele keren voorgekomen dat ik besloot in een hotel van kamer te veranderen. Hoe komt dat? Een beroepsklager ben ik nooit geweest, ik voel juist enige gêne als ik hardwerkende horecawerknemers met mijn klachten moet lastigvallen.

Nee, ik bedoel niet de slome ober die geen zin heeft jouw kant op te kijken, omdat hij het toevallig even druk heeft op zijn terras. Ik bedoel de overwerkte receptionist die alles tegelijk moet doen omdat zijn baas op personeel bezuinigt, of het kamermeisje dat bij het verrichten van haar slechtbetaalde taak wat steken laat vallen. Tegen zulke mensen ga je niet zeuren.

Waarom dan toch vragen om een andere kamer? Het is een verzoek waar voor beide partijen veel gedoe aan vastzit. Jij moet je kleren en tandenborstel weer in je koffer proppen, zij moeten voor jou naarstig op zoek naar een vrije kamer. Doorgaans doe ik er twee dagen en twee nachten over voor ik besluit: zó kan het niet langer. Daarbij is me opgevallen dat de klacht altijd met geluidsoverlast te maken heeft.

Aanvankelijk was ik geneigd het hotel de schuld te geven. Dat is het makkelijkst, dan ben je zelf overal vanaf. Hun kamers waren te gehorig, er zat een luidruchtig café naast waartegen ze geen maatregelen namen, en zo verder. Pas onlangs drong tot me door dat ik de oorzaak ook bij mezelf kon zoeken. Het kon geen toeval zijn dat de klachten steeds met geluidsoverlast samenhingen?

We zaten in een hotel aan de kust. Ruime, lichte kamer, goed bed, gemakkelijke stoelen, fraai uitzicht. En die stilte! Geweldig voor stadsmensen als wij. Het enige wat je hoorde, waren wat meeuwen die rond onze hooggelegen verdieping cirkelden. Leuk – dat directe contact met de natuur.

Meeuwen kon je in Amsterdam ook wel horen, maar hier was het toch ánders, ze waren met meer en ze leken ook wat onrustiger. Maar dat zou uiteraard tijdelijk zijn, straks gingen ze allemaal slapen, een meeuw wil ook weleens rust, het is geen sinecure de godganse dag je kostje bij elkaar te krijsen.

Ik heb nooit geweten dat meeuwen zó laat naar bed gaan. Tegen elven kregen we de aanvechting het raam open te gooien en te roepen: „Het is jullie tijd, jongens.” Ze bleven maar om de top van het hotel cirkelen in golven van kabaal. Meeuwen krijsen, dat is bekend, maar meeuwen kunnen ook schreeuwen, en niet alleen omdat het rijmt. Het klonk alsof ze elkaar voortdurend naar het leven stonden met dolken in bloed gedrenkt. Er was getier en geraas, er werd gescholden en geweeklaagd.

Om ongeveer vier uur in de nacht, de dageraad gloorde reeds (het klinkt op papier mooier) zaten wij stijf rechtop in bed. De meeuwen gilden vertwijfeld en slaakten doodskreten. Wat bezielde hun? Werden ze van buiten bedreigd of vochten ze een burgeroorlog uit? „Dit houden we geen week vol”, zei ik. „Die meeuwen wél”, zei mijn vrouw.

De volgende dag vroeg ik getergd aan de receptionist: „Wij liggen wakker van de meeuwen, is er achter het hotel misschien veel afval?” Hij schudde het hoofd en zei: „Ze hebben in de buurt nesten.”

We kregen een rustiger gelegen kamer. „Hadden jullie ook zo’n last van die meeuwen?”, vroeg ik later aan enkele jonge hotelgasten. Ze keken me stomverbaasd aan. Meeuwen? Nooit van gehoord. Jonge mensen slapen, oude mensen waken.