Opnieuw vliegen er kieviten en goudvinken in het Trippenhuis

In het Amsterdamse Trippenhuis zijn zeventiende-eeuwse plafond- en muurschilderingen gerestaureerd.

In het Trippenhuis zaten kleurrijke, exotische papegaaien verscholen onder lagen verf. Foto Wim Ruigrok

Ergens op een houten deur van het Amsterdamse Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal bevindt zich tussen lagen verf van eeuwen een klein kijkvenster, een uitsnede. De bezoeker vangt een glimp op van een engelachtig gezicht. Ze glimlacht, kijkt je aan vanuit de zeventiende eeuw. Restaurator Ruth Jongsma van Bureau voor kleuronderzoek & restauratie zegt: „Juist omdat we het geheel niet zien, spreekt dit portret tot de verbeelding. Zo’n venster maakt aanschouwelijk wat een schilderkunstige rijkdommen in dit historische grachtenpand schuilgaan.”

In 1995 bezocht Jongsma als student restauratiekunde voor het eerst het paleisachtige Trippenhuis, de huidige zetel van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW). Het werd gebouwd voor de gebroeders Trip, wapenhandelaren. Zij gaven schilders de opdracht in het trappenhuis en tegen het plafond vogelschilderingen aan te brengen. Oorspronkelijk vloog de weelde aan vogels in blauwe luchten, het waren exotische papegaaien evengoed als kieviten en goudvinken, kleurrijk weergegeven in hun vlucht. „Maar in de loop van de geschiedenis is er van alles misgegaan”, zegt Jongsma. „Hele schilderingen zijn in de achttiende eeuw marmerwit overgeschilderd, omdat marmer toen in de mode was. Het Trippenhuis heette weleens ‘de ijssalon’. Ook eerdere restauratoren hebben beschadigingen achtergelaten, bijvoorbeeld door met schrapers of beitels de oude verflagen te lijf te gaan.”

Jongsma kijkt met trots omhoog naar de illusionistische plafondschilderingen, hoofd in de nek, alsof we zo naar de hemel boven Amsterdam kijken: „We hebben twee jaar volop gewerkt om de schilderingen hun zeventiende-eeuwse karakter terug te geven, waarbij beschadigingen die de tijd heeft meegebracht nog zichtbaar zijn. Ik heb dagenlang met een chirurgische scalpel, zo’n vlijmscherp mesje, laag na laag van de harde, oude verf verwijderd om terecht te komen bij de authentieke afbeeldingen. Het vak van restaureren houdt het midden tussen chirurgie en kunstgeschiedenis: ik leg vrij wat zich onder verflaag of stucwerk verborgen houdt, waarna ik restaureer en retoucheer.”

Het is het ideaal van Jongsma om de plafonds ‘leesbaar’ te maken. Opvallend bijvoorbeeld is dat de vogels iets in hun snavel dragen, het lijken takjes. Maar bij nadere bestudering blijken het veren. Opeens valt alles op zijn plaats, ook de betekenis van de reusachtige zwarte vogel in het midden: hier verbeelden de schilders de fabel van Aesopus over de raaf die beroofd wordt van zijn veren. Jongsma: „Het mooie van restaureren is dat we de tijd van de gebroeders Trip terughalen uit het verre verleden.”