Hopen op een goede dag: lekker brandjes blussen

De brandweer doet meer dan blussen, zoals het opruimen na ongelukken en zelfmoorden.En daar moet je tegenkunnen, want het went nooit.

Bij alarm zitten de brandweerlieden binnen één minuten ‘op de wagen’. Als het afgaat.foto niels blekemolen

Na je eerste dode haal je taart. Dat is de regel. Voor de buitenstaander lijkt dat misschien hard, maar het is dus juist niet omdat er iets te vieren valt. Het is omdat zo’n eerste keer belangrijk is. Daar moet je bij stilstaan. Dat de collega’s aan wie je uitdeelt dat ook ooit hebben gedaan, dat ze weten hoe het voelt. Als je bij de brandweer gaat, haal je vroeg of laat een keer taart. Meestal al vroeg.

Het is niet het eerste waar je bij de brandweer aan denkt. Dat is brandblussen, natuurlijk. En het uit de boom redden van kittens. Maar de dood, het opruimen van ongelukken en zelfmoorden, is voor brandweerlieden een flinke portie van hun werk.

Dat, en wachten. Zoals vandaag.

Je weet hier nooit wat de dag gaat brengen. De dienst begint om 7.30 uur en duurt 24 uur. Een etmaal in de brandschone linoleumgangen van de kazerne is een routine van oefenen, eten, opruimen en sporten. De twaalf dienstdoende mannen hebben ieder een eigen kamertje om zich terug te trekken. Maar ze staan altijd paraat. Bij alarm zitten ze binnen één minuten ‘op de wagen’. Als het afgaat.

„Zo rustig is het hier normaal nooit.” Brandweerman Ben (36) schudt zijn hoofd. „Zul je altijd zien als er iemand komt meekijken.”

Het vak brengt leuke en minder leuke kanten met zich mee. Het leukste? „Blussen!” zeggen ze. Vuur. „Niets kan op tegen een goede binnenbrand.” Dat is ‘een mooie melding’, dáár doen deze jongens – ze zijn ergens tussen de 20 en 55, maar zo noemen ze zichzelf – het voor. Maar de minder leuke kant, die komen ze in de praktijk net zo vaak tegen.

‘Vlees wegspuiten’, ‘auto’s uitpellen’ en ‘springers oprapen’ – het is jargon voor handelingen die zich maar moeilijk in alledaagse woorden laten vangen. De nare verhalen zijn legio. Zoals een tijd terug, toen ze een man uit het water moesten halen die er drie weken in had gelegen. Groen, opgezwollen – zo’n lichaam kun je niet een-twee-drie op de boot tillen, dan kan hij uit elkaar vallen. Ze hebben hem met een net naar de kant moeten slepen. Ben hield het zuurstofmasker van zijn duikpak op, tegen de lucht.

Hij zit nu zeven jaar bij de brandweer. Intussen heeft hij al zoveel doden aangetroffen dat hij zich zijn eerste niet precies meer kan herinneren.

Het is een nare werkelijkheid, maar het zijn vaak zelfmoordenaars met wie de brandweerlieden aanraking komen. Mensen die zich verdrinken, of thuis worden gevonden. Iedereen hier heeft weleens een trein moeten schoonspuiten, lichaamsdelen moeten afdekken. „Dan vind je hier een hoofd, daar een been”, zegt brandweerman Robert. „Wennen? Nee, dat doet het nooit.” Hoe hij daar dan mee omgaat? Hij haalt zijn schouders op. „Je moet er juist niet te veel over nadenken.”

Dat is iets wat je moet kunnen. Geen klaslokaal dat je kan voorbereiden op het aangezicht van een lichaam in ontbinding. „Er zijn jongens die daar niet tegenkunnen, die willen gewoon brandjes blussen”, zegt Robert. „Vaak stoppen die er na verloop van tijd mee.”

Met de ogen dicht

Zolang de sirene niet loeit, hangt er op de kazerne een sfeer van een studentenhuis. Samen eten, pasta uit de reuzenpan, opruimen, televisie kijken, voetballen, vieze plaatjes doorsturen op de groepswhatsapp. En veel trainen.

De tijd verstrijkt langzaam. Op het parkeerterrein gooien de mannen een oude Volvo op z’n kant en knippen het dak eraf. Oefenen voor een ongeluk, Ben speelt het slachtoffer. Anderen rijden de binnenstad in voor een duikoefening in de gracht: de meeste brandweerlieden zijn óók duikers.

In Nederlands zoetwater zie je niets. In de gracht heeft brandweerman Martin (30) vandaag misschien vijf centimeter zicht. Terwijl de kade vult met toeschouwers laat hij zich in het water zakken. Op de tast zigzagt hij heen en weer tussen de fietswrakken. Vaak houden de duikers hun ogen dicht. Ook wanneer ze erin liggen om een persoon uit het water te vissen. „Met uitgestrekte handen wachten tot je iets voelt. Dat is niet altijd even leuk.” En wat je aantreft is niet altijd prettig.

Relativeren

Traumatisch? Ben: „Ik heb geen hart.” Robert: „Nee, dat hangt kokend op je rug.” Ze maken grappen. Ze relativeren. En dat kan eigenlijk ook niet anders, zo houd je een soms gruwelijke werkelijkheid nog enigszins op afstand.

Maar het kan wel degelijk lastig zijn, zeggen ze, helemaal als er kinderen bij betrokken zijn. Dan kun je altijd een gesprek aanvragen met een hulpverlener. Daar is alle ruimte voor. Een nieuwe ontwikkeling, zegt leidinggevende Rob, de cultuur bij de brandweer verandert. „Twintig jaar geleden? Echt niet dat je dan ging praten na een heftig geval. Er was nog veel meer een machocultuur, van: hop, stel je niet aan.”

Dan komt er via de radio een melding binnen: er is in de buurt een man van een flatgebouw gesprongen. Dood. Zijn ze nodig? Even lijkt het erop, maar nee. Het blijkt allemaal overzichtelijk.